Marleen wist dat Robert iets voor haar verborgen hield.
Ze wist alleen nog niet wat.
Het begon drie weken voor hun trouwdag.
Zijn telefoon lag op het aanrecht toen er een bericht binnenkwam.
Robert stond koffie te zetten.
Marleen keek niet bewust naar het scherm. Het lichtte gewoon op.
Judith
Meer zag ze niet.
Robert wel.
Hij pakte de telefoon onmiddellijk op en stopte hem in zijn broekzak.
“Wie is Judith?”
Hij keek haar aan.
“Judith?”
“Die je net een bericht stuurde.”
“O, gewoon iemand.”
Marleen trok een wenkbrauw op.
“Dat is een vrij brede categorie.”
Robert glimlachte.
“Van vroeger.”
“Van school?”
“Zoiets.”
Daarna begon hij over de lekkende kraan in de badkamer.
Marleen liet het gaan.
Na vijfentwintig jaar huwelijk hoefde je niet iedere naam in de telefoon van je man te kennen.
Dat hield ze zichzelf tenminste voor.
Vier dagen later kwam Robert bijna twee uur later thuis dan normaal.
“Waar was je?”
“Even iets regelen.”
“Wat?”
“Voor onze trouwdag.”
Hij kuste haar op haar voorhoofd.
“Niet zo nieuwsgierig.”
Marleen glimlachte.
Dat verklaarde het.
Over twee weken waren ze vijfentwintig jaar getrouwd.
Ze hadden afgesproken geen groot feest te geven. Hun kinderen hadden daar nog tegen geprotesteerd.
“Vijfentwintig jaar! Dat vier je toch?”
Maar Marleen wilde geen zaaltje.
Geen kring met ooms en tantes.
Geen diavoorstelling met foto’s waarop ze allebei kapsels hadden die inmiddels strafbaar zouden moeten zijn.
Gewoon samen eten.
Robert had beloofd iets te regelen.
Dus toen hij geheimzinnig begon te doen, dacht ze aanvankelijk dat het daarmee te maken had.
Tot Judith opnieuw belde.
Op zondagavond.
Robert en Marleen zaten op de bank toen zijn telefoon overging.
Hij keek naar het scherm.
Drukte de oproep weg.
“Neem maar op hoor.”
“Niet belangrijk.”
“Wie was het?”
“Niemand.”
Marleen keek hem aan.
“Niemand belt tegenwoordig?”
Hij zuchtte.
“Judith.”
Daar was ze weer.
“Die vrouw van vroeger?”
“Ja.”
“Wat wil ze?”
“Niets bijzonders.”
“Ze stuurt berichten en belt op zondagavond. Blijkbaar wil ze íéts.”
Robert stond op.
“Wil je thee?”
“Nee.”
“Ik wel.”
Hij liep naar de keuken.
Marleen keek hem na.
Voor het eerst voelde ze iets wat ze niet wilde voelen.
Achterdocht.
Ze kende Robert bijna dertig jaar.
Ze wist wanneer hij loog.
Niet omdat hij begon te stotteren of zenuwachtig werd.
Juist niet.
Robert werd vriendelijker als hij iets verborgen hield.
Behulpzaam.
Hij ruimde ineens uit zichzelf de vaatwasser uit.
Vroeg of zij nog iets uit de supermarkt nodig had.
Alsof extra aardig zijn voorkwam dat iemand vragen stelde.
Die week was de vaatwasser nog nooit zo vaak uitgeruimd.
Op woensdag zag Marleen hem buiten telefoneren.
Het was kwart over negen ’s avonds.
Ze wilde de gordijnen dichtdoen en zag hem achter in de tuin staan.
Telefoon tegen zijn oor.
Hij zei iets.
Luisterde.
Wreef met zijn hand over zijn gezicht.
Toen draaide hij zich om en zag haar voor het raam staan.
Het gesprek was binnen tien seconden afgelopen.
Toen hij binnenkwam, vroeg Marleen:
“Judith?”
Robert hing zijn jas over een stoel.
“Ja.”
“Wat is er aan de hand?”
“Niets.”
“Robert.”
Hij keek haar aan.
“Ik vertel het je binnenkort.”
“Wat vertel je me?”
“Dat kan ik nu nog niet.”
Marleen voelde haar hart sneller kloppen.
“Waarom niet?”
“Omdat ik eerst iets moet regelen.”
“Met haar?”
“Ja.”
Ze staarde hem aan.
“Heb jij iets met die vrouw?”
Robert keek werkelijk geschrokken.
“Wat? Nee.”
“Heb je ooit iets met haar gehad?”
“Nee.”
“Waarom doe je dan zo geheimzinnig?”
“Het gaat niet om Judith.”
“Om wie dan wel?”
Robert zweeg.
Dat was het moment waarop de twijfel echt begon.
Niet omdat hij zei dat hij geen affaire had.
Maar omdat hij haar vraag niet beantwoordde.
Marleen vertelde het aan niemand.
Niet aan haar beste vriendin.
Niet aan hun dochter Sophie.
Zeker niet aan hun zoon Bram, die zijn vader waarschijnlijk binnen vijf minuten zou bellen.
Misschien stelde ze zich aan.
Mensen hadden geheimen.
Ook binnen een goed huwelijk.
Een cadeau.
Een verrassing.
Iets van vroeger.
Maar op vrijdag vond ze iets wat haar geruststelling weer volledig onderuit haalde.
Robert stond onder de douche.
Zijn telefoon lag op het nachtkastje.
Het scherm lichtte op.
Marleen keek.
Judith: Ik heb met haar gesproken. Ze wil het doen.
Marleen voelde een koude rilling over haar rug.
Met haar.
Nog een vrouw?
Ze wist dat ze niet verder moest kijken.
Ze wist óók dat Robert de afgelopen weken tegen haar loog.
Ze pakte de telefoon.
Vergrendeld.
Natuurlijk.
“Mar?”
Ze schrok en legde hem terug.
Robert riep vanuit de badkamer.
“Ja?”
“Heb jij mijn blauwe overhemd gezien?”
“In de kast!”
Ze liep naar beneden.
Haar handen trilden.
Ze voelde zich belachelijk.
Vijfentwintig jaar.
Twee kinderen.
Een hypotheek die eindelijk bijna was afbetaald.
Begrafenissen.
Vakanties.
Ruzies over geld.
Een verbouwing die hun huwelijk waarschijnlijk meer had bedreigd dan welke minnares ooit zou kunnen.
Robert was degene die haar hand had vastgehouden toen haar moeder stierf.
Degene die drie nachten naast het bed van Sophie had gezeten toen ze als kind in het ziekenhuis lag.
Degene die iedere ochtend de eerste kop koffie voor haar maakte omdat hij wist dat ze vóór koffie eigenlijk niet aanspreekbaar was.
En nu stond Marleen in de keuken te denken:
Wie is zij?
Op de ochtend van hun trouwdag lag er een klein doosje naast haar bord.
“Wat is dit?”
Robert schonk koffie in.
“Open maar.”
Binnenin zat een zilveren armband.
Geen enorme diamant.
Geen opzichtig jubileumcadeau.
Een eenvoudige armband met aan de binnenkant een gravure.
25
Marleen glimlachte.
“Mooi.”
“Vind je hem echt mooi?”
“Ja.”
Hij boog zich naar haar toe en kuste haar.
“Op naar de volgende vijfentwintig.”
Ze keek hem aan.
Heel even wilde ze vragen of hij dat werkelijk meende.
In plaats daarvan zei ze:
“Waar gaan we vanavond eten?”
“Verrassing.”
“Natuurlijk.”
“Zeven uur vertrekken.”
“Moet ik netjes?”
“Je bent altijd netjes.”
“Dat is geen antwoord.”
Robert grijnsde.
“Die zwarte jurk.”
Ze moest lachen.
“Dat is wél een antwoord.”
Een paar uur lang voelde alles weer normaal.
Het restaurant lag aan het water.
Marleen kende het van naam, maar ze waren er nog nooit geweest.
“Toe maar,” zei ze toen ze uitstapten. “Heb je een bank beroofd?”
“Een keer vijfentwintig jaar getrouwd.”
“Dat hoop ik.”
Robert hield de deur voor haar open.
Binnen kwam een vrouw op hen af.
“Goedenavond. Heeft u gereserveerd?”
“Op naam van Van Dijk.”
De vrouw keek op haar scherm.
“Jazeker. Volgt u mij maar.”
Ze liepen naar een rustige hoek van het restaurant.
Op tafel stonden kaarsen.
Een fles wijn in een koeler.
En drie stoelen.
Marleen bleef staan.
“Volgens mij staat hier een stoel te veel.”
Robert zei niets.
De medewerker keek naar haar scherm.
“Nee hoor. De reservering is voor drie personen.”
Marleen keek naar haar man.
“Drie?”
Robert trok een stoel voor haar naar achteren.
“Ga eerst zitten.”
“Robert.”
“Alsjeblieft.”
“Wie komt er?”
Hij ging tegenover haar zitten.
Marleen bleef staan.
“Wie?”
Robert keek naar de lege stoel.
“Er komt iemand die je moet ontmoeten.”
Haar maag draaide om.
“Judith.”
Hij keek op.
“Ja.”
Marleen lachte ongelovig.
“Je neemt op onze trouwdag een andere vrouw mee uit eten?”
“Het is niet wat je denkt.”
“Dat zeggen mensen alleen wanneer het precies is wat iemand denkt.”
“Ik heb niets met haar.”
“Waarom zit ze dan straks aan onze tafel?”
Robert wreef met zijn handen over elkaar.
“Om iets te vertellen.”
“Wat?”
“Dat moet zij zelf doen.”
Marleen pakte haar tas.
“Dan kan ze het ook aan jou vertellen.”
“Marleen, wacht.”
“Ik heb hier geen zin in.”
“Als je nu weggaat, krijg ik dit misschien nooit meer verteld.”
Ze keek hem aan.
Er zat iets in zijn gezicht wat ze niet verwachtte.
Geen schuld.
Angst.
Echte angst.
Marleen ging langzaam weer zitten.
“Vijf minuten.”
“Dank je.”
“Daarna wil ik weten wat er aan de hand is.”
Robert knikte.
“Dat verdien je.”
“Dat verdiende ik drie weken geleden al.”
Hij keek naar beneden.
“Eigenlijk veel eerder.”
Marleen wilde vragen wat hij daarmee bedoelde.
Toen zag ze dat Robert langs haar heen keek.
Zijn gezicht veranderde.
Marleen draaide zich om.
Bij de ingang stond een vrouw.
Begin vijftig, schatte ze.
Donkerblond haar.
Lange beige jas.
Ze keek zoekend door het restaurant.
Toen zag ze Robert.
Ze bleef even staan.
Robert stond op.
“Dat is haar.”
Marleen voelde haar hart bonzen.
Judith kwam langzaam naar hen toe.
Robert gaf haar geen kus.
Geen omhelzing.
Niets wat wees op een affaire.
Toch maakte dat Marleen nauwelijks rustiger.
Judith keek naar de lege stoel.
Toen naar Marleen.
Van dichtbij zag ze er nerveus uit.
“Marleen?”
“Ja.”
Judith ging niet zitten.
Ze keek een paar seconden naar haar gezicht.
Alsof ze zocht naar iets bekends.
Toen zei ze:
“Jij weet niet wie ik ben, hè?”
Marleen schudde haar hoofd.
Judith keek naar Robert.
“Je hebt het haar dus echt nooit verteld.”
Robert zei niets.
“Wat niet?” vroeg Marleen.
Judith trok de derde stoel naar achteren.
“Ik denk dat je man en ik je iets moeten vertellen over zijn zus.”
Marleen fronste.
“Annemiek?”
Judith verstijfde.
“Je kent haar naam?”
“Natuurlijk.”
Marleen keek van Judith naar Robert.
“Ze is overleden voordat Robert en ik elkaar leerden kennen.”
Niemand antwoordde.
En ineens wist Marleen dat er iets helemaal niet klopte.
Judith ging zitten.
“Marleen…”
Ze legde haar handen op tafel.
“Annemiek is niet overleden.”