Marleen las de zin voor de derde keer.
Kom alsjeblieft eerst alleen. Er is iets wat Robert nog steeds niet weet.
“Wat staat er?” vroeg Robert opnieuw.
Marleen vouwde de brief dicht.
“Dat ze me alleen wil spreken.”
“Alleen?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Dat schrijft ze niet.”
Dat was niet helemaal waar.
Robert keek naar de brief.
“Mag ik hem lezen?”
Marleen stopte hem in haar tas.
“Nee.”
Hij keek haar verbaasd aan.
“Waarom niet?”
“Omdat hij aan mij gericht is.”
“Mar…”
“Vijfentwintig jaar, Robert.”
Hij zweeg.
“Vijfentwintig jaar heb jij bepaald wat ik wel en niet mocht weten. Vanaf nu bepaal ik dat zelf.”
Robert knikte langzaam.
“Oké.”
Judith stond op.
“Ik denk dat ik moet gaan.”
Marleen keek naar de tafel.
Drie stoelen.
Een fles wijn die nog steeds ongeopend in de koeler stond.
De armband met het getal 25 om haar pols.
Van alle manieren waarop ze zich haar trouwdag had voorgesteld, was dit er niet één van geweest.
“Wanneer kan ik haar zien?” vroeg ze.
Judith keek haar aan.
“Morgen.”
Marleen sliep die nacht in de logeerkamer.
Robert protesteerde niet.
Dat maakte haar bijna nog bozer.
Om halfvier lag ze nog wakker.
Steeds dacht ze aan dezelfde dingen.
Niet eens aan het ongeluk.
Aan kleine momenten.
Een familieweekend waarop iemand had gevraagd of Robert broers of zussen had.
“Ik had een zus.”
Had.
Een fotoalbum waarin nauwelijks foto’s van zijn jeugd stonden.
“Mijn ouders waren niet zo van de foto’s.”
Een keer had Sophie voor school een stamboom moeten maken.
Robert had Annemieks naam opgeschreven met een kruisje ernaast.
Marleen was er al die jaren vanuit gegaan dat dat kruisje betekende dat ze overleden was.
Misschien had Robert dat ook gewild.
Een leugen hoefde blijkbaar niet iedere dag uitgesproken te worden.
Soms hoefde je alleen maar te zorgen dat niemand de juiste vraag stelde.
De volgende ochtend stond Robert in de keuken toen Marleen beneden kwam.
Er stond koffie voor haar klaar.
Zoals iedere ochtend.
“Ga je?”
“Ja.”
“Wil je dat ik rijd?”
Ze keek hem aan.
“Heb je geluisterd naar wat ik gisteren zei?”
“Ja.”
“Dan weet je het antwoord.”
Hij knikte.
Marleen pakte haar autosleutels.
“Mar?”
Ze draaide zich om.
“Wat?”
“Wat ze ook vertelt…”
Hij stopte.
“Wat?”
“Ik heb geen idee wat ze nog voor me verborgen kan houden.”
Marleen keek hem een paar seconden aan.
“Dat gevoel ken ik inmiddels.”
Daarna vertrok ze.
Het adres lag net over de Belgische grens.
Een klein huis in een rustige straat.
Geen ziekenhuis.
Geen kliniek.
Gewoon een rijwoning met een blauwe voordeur en een fiets tegen de gevel.
Marleen bleef een tijdje in haar auto zitten.
Wat deed ze hier?
Ze ging een vrouw ontmoeten die vijfentwintig jaar dood was geweest in haar huwelijk.
Ze stapte uit.
Voordat ze kon aanbellen, ging de deur open.
De vrouw die daar stond was kleiner dan Marleen had verwacht.
Dun.
Een sjaal om haar hoofd.
Ze leunde licht op een wandelstok.
Maar het waren haar ogen waardoor Marleen onmiddellijk wist wie ze was.
Robert.
Dezelfde ogen.
“Marleen?”
“Annemiek?”
De vrouw glimlachte.
“Dat is al een goed begin.”
Marleen wist niet of ze mocht lachen.
Annemiek deed een stap opzij.
“Kom binnen.”
Op tafel stonden koffie en koekjes.
Marleen moest bijna denken aan een ongemakkelijk bezoek aan een verre tante.
Behalve dat deze vrouw officieel al vijfentwintig jaar dood was.
“Hoe gaat het met je?” vroeg Marleen.
Zodra ze het zei, voelde de vraag belachelijk.
Annemiek glimlachte.
“Niet geweldig.”
“Sorry.”
“Je hoeft geen sorry te zeggen. Kanker is niet jouw schuld.”
Ze keek Marleen even aan.
“Mijn broer heeft daarentegen wel een talent voor schuld verzamelen.”
Marleen moest tegen haar zin lachen.
Annemiek ook.
Het brak iets.
“Ben je boos op hem?” vroeg Annemiek.
“Ja.”
“Mooi.”
Marleen keek verbaasd.
“Mooi?”
“Als je niet boos was, zou ik me zorgen maken.”
“Ik weet alleen nog niet hóé boos.”
“Dat kan nog komen.”
Marleen nam een slok koffie.
“Waarom wilde je mij alleen spreken?”
Annemiek werd serieus.
“Robert heeft je verteld over het ongeluk?”
“Ja.”
“Dat hij reed?”
“Ja.”
“Dat hij had gedronken?”
“Ja.”
“En over onze ouders?”
“Ook.”
Annemiek knikte.
“Dan heeft hij eindelijk het grootste deel verteld.”
“Het grootste deel.”
“Er is nog iets.”
Marleen voelde haar lichaam aanspannen.
“Wat?”
Annemiek keek naar haar handen.
“Robert denkt dat ik het contact heb verbroken omdat hij de waarheid over het ongeluk niet wilde vertellen.”
“Dat klopt niet?”
“Niet helemaal.”
Ze zweeg even.
“Ik heb hem iets verschrikkelijks kwalijk genomen. Jarenlang.”
“Wat?”
“Dat hij na het ongeluk gewoon doorging.”
Marleen wilde iets zeggen, maar Annemiek stak haar hand op.
“Ik weet hoe dat klinkt. Natuurlijk mocht hij verder. Maar ik was negentien. Ik had pijn. Ik kon maanden nauwelijks lopen. Mijn vrienden gingen studeren, op vakantie, kregen vriendjes. En Robert ging terug naar zijn studie.”
Ze keek naar het raam.
“Ik haatte hem daarvoor.”
Marleen zei niets.
“Toen hij jou ontmoette, werd het erger.”
“Mij?”
Annemiek knikte.
“Hij schreef me over je.”
“Robert?”
“Ja.”
“Ik dacht dat jullie nauwelijks contact hadden.”
“Brieven.”
Dat had Robert niet verteld.
“Hij schreef dat hij verliefd was. Dat hij dacht dat jij degene was met wie hij oud wilde worden.”
Annemiek glimlachte flauwtjes.
“Ik heb die brief verscheurd.”
“Waarom?”
“Omdat ik dacht: natuurlijk. Jij rijdt mij bijna dood en vervolgens krijg jij het perfecte leven.”
Marleen wist niet wat ze moest zeggen.
“Dat was niet eerlijk,” zei Annemiek. “Maar verdriet is niet altijd eerlijk.”
“Waarom vertel je me dit?”
“Omdat Robert één ding nog steeds verkeerd begrijpt.”
Annemiek stond moeizaam op.
Ze liep naar een kast en haalde er een oude schoenendoos uit.
Daarin lagen brieven.
Tientallen.
“Van Robert?”
“De meeste.”
Ze pakte één envelop.
“Deze is van mij.”
Marleen zag de datum.
Vijfentwintig jaar geleden.
Een paar weken voor haar huwelijk.
“Wat is dit?”
“De brief waardoor alles definitief misging.”
Annemiek schoof hem naar haar toe.
“Lees maar.”
Marleen aarzelde.
“Is dat niet privé?”
“Niet meer.”
De brief was kort.
Annemiek had Robert geschreven dat ze wilde komen naar zijn bruiloft.
Ze wilde opnieuw beginnen.
Geen politie.
Geen bekentenis.
Geen openbare waarheid.
Ze wilde alleen haar broer terug.
Marleen keek op.
“Maar je was niet op onze bruiloft.”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Lees verder.”
Onderaan stond een antwoord.
Niet van Robert.
Van hun vader.
In grote, hoekige letters.
Laat Robert met rust.
Hij heeft eindelijk zijn leven op orde.
Marleen weet dat jij bij het ongeluk bent overleden.
Laat dat zo.
Als je werkelijk van je broer houdt, kom je niet.
Marleen voelde haar maag omdraaien.
“Zijn vader?”
Annemiek knikte.
“Robert heeft deze brief nooit gezien.”
“Hoe weet je dat?”
“Omdat zijn vader hem onderschepte. Hij kwam twee dagen later persoonlijk naar mij toe.”
“Wat zei hij?”
“Dat ik alles opnieuw kapot zou maken als ik naar de bruiloft kwam.”
Marleen staarde naar het papier.
“En je bent weggebleven.”
“Ja.”
“Maar Robert dacht…”
“Dat ik niet wilde komen.”
Marleen begon het te begrijpen.
“Daarom denkt hij dat jij hem niet kon vergeven.”
“Ja.”
“Al die jaren?”
“Ja.”
“Waarom heb je hem nooit verteld wat zijn vader gedaan heeft?”
Annemiek glimlachte verdrietig.
“Trots. Woede. Koppigheid. Kies er maar één.”
Ze keek naar de doos.
“Later vond ik het steeds moeilijker.”
“Net als Robert.”
“Precies.”
Daar zat de wrange ironie.
Broer en zus hadden bijna hun hele volwassen leven aan weerszijden van dezelfde stilte doorgebracht.
Allebei wachtend op de ander.
“Waarom nu?” vroeg Marleen.
Annemiek keek haar aan.
“Omdat ik misschien geen vijf jaar meer heb om koppig te zijn.”
De woorden waren rustig uitgesproken.
Juist daardoor kwamen ze harder aan.
“Ik wil hem zien.”
“Robert?”
“Ja.”
“Waarom heb je hem dat niet gewoon verteld?”
“Omdat ik bang ben.”
Dat antwoord had Marleen niet verwacht.
“Voor hem?”
“Voor mezelf.”
Annemiek keek naar haar handen.
“Ik heb dertig jaar geoefend op boos zijn. Ik weet niet zo goed wat er overblijft als ik daarmee stop.”
Marleen dacht aan Robert thuis.
Aan de man die haar vijfentwintig jaar had voorgelogen.
Aan de jongen van eenentwintig die zijn zus bijna had doodgereden.
Aan de broer die blijkbaar jarenlang dacht dat zij niets meer met hem te maken wilde hebben.
Geen van die dingen maakte de andere ongedaan.
“Waarom heb je mij hiervoor nodig?”
“Omdat hij naar jou luistert.”
Marleen lachte kort.
“Dat valt momenteel tegen.”
Annemiek glimlachte.
“Dan zijn we al met twee.”
Robert zat in de woonkamer toen Marleen thuiskwam.
Hij stond meteen op.
“Hoe was ze?”
Niet:
Wat heeft ze gezegd?
Niet:
Waarom wilde ze je alleen spreken?
Alleen:
“Hoe was ze?”
Marleen legde haar tas neer.
“Ziek.”
Robert knikte.
“Ja.”
“Maar nog steeds behoorlijk bijdehand.”
Heel even verscheen er een glimlach.
“Dat klinkt als Annemiek.”
Marleen ging zitten.
“Ze wil je zien.”
Robert keek op.
“Wat?”
“Ze wil je zien.”
“Dat heeft ze gezegd?”
“Ja.”
Hij bleef doodstil staan.
“Wanneer?”
“Morgen. Als jij wilt.”
“Als ik wil?”
“Dat waren haar woorden.”
Robert ging tegenover haar zitten.
“Wat heeft ze je nog verteld?”
Marleen pakte de oude brief uit haar tas.
Ze legde hem op tafel.
Robert herkende het handschrift van zijn vader onmiddellijk.
“Wat is dit?”
“Een brief die jij nooit hebt gekregen.”
Hij begon te lezen.
Marleen zag het moment waarop hij begreep wat er stond.
Zijn gezicht vertrok.
“Nee.”
Hij las verder.
“Nee…”
Toen keek hij op.
“Ze wilde komen?”
“Ja.”
“Naar onze bruiloft?”
“Ja.”
Robert legde het papier neer.
“Mijn vader heeft me altijd gezegd dat ze niet reageerde.”
Marleen zei niets.
“Ik heb haar een uitnodiging gestuurd.”
“Die heeft ze gekregen.”
“En ze wilde komen.”
“Ja.”
Robert begon te huilen.
Niet netjes.
Niet stil.
Hij boog voorover en bedekte zijn gezicht met beide handen.
“Vijfentwintig jaar.”
Marleen voelde haar eigen ogen prikken.
“Ja.”
“Ik dacht dat ze me haatte.”
“Dat deed ze volgens mij ook een beetje.”
Robert lachte door zijn tranen heen.
“Dat zou terecht zijn.”
“Waarschijnlijk.”
Toen keek hij naar haar.
“Ga je morgen mee?”
Marleen antwoordde niet meteen.
“Als jij dat wilt,” zei Robert.
“Geen geheimen meer?”
“Geen geheimen meer.”
Ze keek naar hem.
“Ik weet nog niet of ik je kan vergeven.”
Zijn gezicht veranderde.
“Dat begrijp ik.”
“En ik wil niet dat je denkt dat dit alles ineens goedmaakt.”
“Dat denk ik niet.”
“Mooi.”
Marleen stond op.
“Maar ik ga mee.”
De volgende middag stonden ze samen voor de blauwe voordeur.
Robert durfde niet aan te bellen.
Marleen keek naar hem.
“Nou?”
“Geef me even.”
“Je hebt vijfentwintig jaar gehad.”
Hij keek haar aan.
“Au.”
“Bel aan.”
Robert drukte op de bel.
Voetstappen.
De deur ging open.
Annemiek keek eerst naar Marleen.
Toen naar haar broer.
Niemand zei iets.
Robert opende zijn mond.
Sloot hem weer.
Annemiek leunde tegen de deurpost.
“Je bent nog steeds slecht in beginnen, zie ik.”
Robert begon te huilen.
Annemiek ook.
Maar ze omhelsden elkaar niet.
Nog niet.
Robert keek zijn zus aan.
En zei uiteindelijk:
“Jij reed die avond niet.”
Annemiek sloot haar ogen.
“Nee.”
“Ik reed.”
“Ja.”
“Ik had gedronken.”
“Ja.”
“En ik heb je daarna alleen laten dragen wat ik had gedaan.”
Annemiek keek hem aan.
Heel lang.
“Ja.”
Robert knikte.
Geen maar.
Geen uitleg.
Geen excuus.
“Het spijt me.”
Annemiek veegde haar wang droog.
“Daar kan ik vandaag nog niet zoveel mee.”
“Dat begrijp ik.”
“Maar je mag wel binnenkomen.”
Robert keek naar Marleen.
Zij knikte.
Hij stapte over de drempel.
Een uur later zaten ze met z’n drieën aan de keukentafel.
Het was ongemakkelijk.
Pijnlijk.
En af en toe verrassend grappig.
Annemiek vertelde dat Robert als kind bang was voor vlinders.
Robert ontkende dat.
Annemiek bleek foto’s te hebben.
Marleen eiste onmiddellijk bewijs.
Voor het eerst die middag lachten ze alle drie.
Er was niets opgelost.
Niet echt.
Dertig jaar pijn verdween niet tijdens één kop koffie.
En vijfentwintig jaar liegen verdween evenmin omdat de waarheid eindelijk op tafel lag.
Maar toen ze die avond naar huis reden, pakte Robert bij een stoplicht voorzichtig Marleens hand.
Ze keek ernaar.
Een paar dagen eerder zou ze hem automatisch hebben vastgepakt.
Nu deed ze dat niet.
Nog niet.
Robert trok zijn hand terug.
Marleen keek uit het raam.
“Geef me tijd.”
“Zoveel als je nodig hebt.”
Na een paar seconden zei ze:
“En Robert?”
“Ja?”
“Als er nóg een dood familielid van je in België blijkt te wonen, wil ik dat graag vóór ons dertigjarig jubileum weten.”
Hij keek haar aan.
Toen begon hij te lachen.
Marleen probeerde serieus te blijven.
Dat lukte ongeveer drie seconden.
Zes maanden later gingen ze opnieuw uit eten.
Hetzelfde restaurant.
Niet vanwege een jubileum.
Gewoon omdat Marleen dat wilde.
Toen de medewerker vroeg op welke naam de reservering stond, zei Robert:
“Van Dijk. Twee personen.”
Marleen keek hem aan.
“Twee?”
“Ik heb het gecontroleerd.”
“Geen verrassingsgast?”
“Absoluut niet.”
Ze gingen zitten.
Robert droeg zijn trouwring nog.
Marleen ook.
Het waren geen makkelijke zes maanden geweest.
Ze hadden gepraat.
Ruziegemaakt.
Een relatietherapeut bezocht.
Soms had Marleen gedacht dat vijfentwintig jaar samen genoeg was geweest.
Op andere dagen wist ze precies waarom ze ooit met hem was getrouwd.
Annemiek was inmiddels begonnen aan een nieuwe behandeling.
Niemand wist hoeveel tijd die haar zou geven.
Maar Robert reed iedere woensdag naar België.
Niet stiekem.
Niet met een smoes over zijn werk.
Gewoon:
“Ik ga naar mijn zus.”
Soms ging Marleen mee.
Meestal niet.
Dat was iets tussen broer en zus.
De ober schonk de wijn in.
Robert hief zijn glas.
“Op de volgende vijfentwintig?”
Marleen keek hem aan.
“Rustig aan.”
Hij glimlachte.
“Op vanavond dan.”
Dat vond ze beter.
Ze tikte haar glas tegen het zijne.
Vijfentwintig jaar geleden had Robert hun huwelijk laten beginnen met een leugen.
Of er nog vijfentwintig jaar bij zouden komen, wist Marleen niet.
Maar voor het eerst kon ze daar zelf over beslissen.
Omdat ze eindelijk wist met wie ze aan tafel zat.