Deel 3
Dat ene detail veranderde iets voor Sophie.
Niet alles.
Ze was nog steeds boos. Op Theo, op haar moeder, op Peter en soms op zichzelf omdat ze niet precies wist op wie ze het meest boos hoorde te zijn.
Maar iedere verjaardag had Theo niet alleen haar een kaart gestuurd.
Hij had Peter een kopie gestuurd.
Alsof hij daarmee zei:
Ze is goed. Ze is veilig. Ze groeit op.
Peter had ze allemaal bewaard.
42 verjaardagen aan bewijs van een leven dat hij van afstand had gevolgd.
“Waarom heeft pap me dit nooit verteld?”
Peter glimlachte. “Omdat Theo eerder naakt door de Kalverstraat loopt dan vrijwillig over gevoelens praat.”
Dat klopte zo goed dat Sophie moest lachen.
De maanden daarna ontstond er iets vreemds.
Geen vader-dochterrelatie.
Daarvoor voelde het te laat en tegelijk te geforceerd.
Peter werd weer een beetje oom Peter, maar met een waarheid ertussen die niet langer verborgen hoefde te worden.
Ze zagen elkaar iedere twee weken.
Soms praatten ze over vroeger.
Soms helemaal niet.
Peter wilde vooral weten wie Sophie nu was. Wat ze deed, waar ze bang voor was, welke muziek ze luisterde en waarom ze volgens hem “nog steeds verschrikkelijke schoenen” droeg.
Sophie ontdekte ondertussen kleine dingen die ze van hem had.
Hun hekel aan koriander.
De manier waarop ze allebei met een pen tikten als ze nadachten.
Hun neiging om het einde van een boek alvast te lezen.
“Pap haat dat,” zei ze.
“Daarom doen wij het.”
Wij.
Het woord voelde eerst vreemd.
Daarna iets minder.
Theo vond het moeilijk.
Niet omdat hij jaloers was, zei hij.
Dus natuurlijk was hij een beetje jaloers.
Tijdens Sophies eerste lunch met Peter en Theo samen zat ze tussen twee mannen van boven de zeventig die allebei deden alsof er niets ongemakkelijks aan de situatie was.
“Wil iemand nog koffie?” vroeg Theo voor de vierde keer.
“Nee,” zeiden Sophie en Peter tegelijk.
Ze keken elkaar aan.
Peter begon te lachen.
Theo niet.
“Zie je,” zei Peter. “Genetisch.”
Theo stond op. “Ik zet koffie.”
Sophie volgde hem naar de keuken.
“Pap.”
“Wat?”
“Je hoeft niet bang te zijn.”
“Ben ik niet.”
“Je bent koffie aan het zetten voor mensen die geen koffie willen.”
Theo keek naar het apparaat.
“Goed punt.”
Sophie pakte zijn arm.
“Je bent mijn vader.”
Hij keek haar aan.
“Dat weet ik.”
“Nee. Volgens mij weet je het soms nog steeds niet.”
Theo’s ogen werden rood.
Hij knikte.
Meer woorden hadden ze allebei niet nodig.
Peter werd zieker.
Langzaam eerst.
Daarna sneller.
Sophie bezocht hem op een donderdagmiddag in het ziekenhuis.
Hij lag te slapen toen ze binnenkwam. Op het kastje stond een foto van haar als kind.
“Die is verschrikkelijk,” zei ze toen hij wakker werd.
Peter keek naar de foto. “Ik vind hem mooi.”
“Ik heb een pony.”
“Dat was toen blijkbaar toegestaan.”
“Misdaad tegen kinderen.”
Hij glimlachte.
Daarna werd hij serieus.
“Ik ben blij dat je gekomen bent.”
“Ik ook.”
“Niet vandaag.”
“Wat dan?”
“Terug.”
Sophie pakte zijn hand.
“Je was nooit helemaal weg.”
“Jawel.”
“Oké. Een beetje.”
“Veel.”
“Je verpest mijn mooie moment.”
“Daar ben ik goed in.”
Peter overleed zeven weken later.
Sophie dacht dat ze wist hoe verdriet zou voelen.
Dat wist ze niet.
Ze rouwde om een man die haar biologische vader was, maar nooit papa was geweest. Om een oom die ze kwijtgeraakt en teruggevonden had. Om een relatie die nog maar net begonnen was en daarom vol zat met dingen die nooit meer zouden gebeuren.
Theo zat tijdens de uitvaart naast haar.
Toen de kist naar voren werd gereden, pakte hij haar hand.
Dat had hij sinds haar kindertijd niet meer gedaan.
Na afloop zei hij: “Het spijt me.”
Sophie wist precies wat hij bedoelde.
“Ik weet het.”
“Had ik het anders moeten doen?”
“Ja.”
Theo knikte.
“Maar ik weet niet of ik het beter had gedaan.”
Dat was waarschijnlijk de eerlijkste zin die iemand in deze familie ooit uitgesproken had.
Een jaar later werd Sophie 43.
Ze dacht niet aan de kaart tot de post kwam.
Roodborstje.
Tak.
Ze ging aan de keukentafel zitten en opende hem.
Theo had geschreven:
Liefs, pap. Ik ben trots op je.
Geen eindelijk.
Geen uitleg.
Gewoon zoals vroeger.
Daaronder stond deze keer wel nog iets.
En ja, ik heb hem zelf geschreven.
Sophie begon hardop te lachen.
Ze belde haar broer.
“Je raadt nooit wat ik heb gekregen.”
“Een roodborstje?”
“Hoe weet jij dat?”
“Omdat pap me dit jaar ook een kaart heeft gestuurd.”
Sophie werd stil.
“Serieus?”
“Ja.”
“Wat staat erin?”
Martijn las voor:
Liefs, pap. Ook op jou ben ik trots. Voor het geval je je dat na 46 jaar nog afvroeg.
Sophie veegde een traan weg.
“Dat is bijna emotioneel.”
“Geef hem nog tien jaar en hij zegt misschien dat hij van ons houdt.”
“Niet overdrijven.”
Later die avond pakte Sophie de doos die Peter haar had gegeven.
Alle kopieën van de roodborstjeskaarten zaten erin.
Ze legde die van haar 42e verjaardag erbij.
Liefs, pap. Ik ben trots op je. Eindelijk.
Toen begreep ze het woord eindelijk anders.
Theo had niet bedoeld dat hij eindelijk trots op háár was.
Hij was eindelijk gestopt met doen alsof trots iets was wat je alleen op papier mocht zeggen zolang niemand vroeg waarom.
Sophie zette de doos terug in de kast.
Op de koelkast hing de nieuwe kaart.
Daar bleef hij het hele jaar hangen.