“Niet op die stoel.”
Saskia was negen toen haar oma het voor het eerst tegen haar zei. Ze stond al met haar bord in haar handen en begreep niet wat ze verkeerd deed.
“Waarom niet?”
“Omdat die vrij blijft.”
“Voor wie?”
“Gewoon. Pak die andere maar.”
Bij oma thuis waren regels zelden onderhandelbaar. Dus schoof Saskia een stoel op en ging naast haar broer Jeroen zitten.
De lege stoel stond aan het uiteinde van de tafel, vlak bij het raam. Geen bord, geen bestek, geen glas. Gewoon een stoel waar niemand op mocht zitten.
Iedere zondag was het hetzelfde.
Om vijf uur eten.
Niet kwart over vijf. Niet halfzes.
Vijf uur.
Wie te laat was, kreeg van oma Annie te horen dat “de aardappels ook geen agenda hebben”.
Saskia’s moeder Els kwam meestal als eerste. Daarna haar oom Kees met zijn gezin. Soms tante Marjan, die na haar scheiding een paar jaar nauwelijks kwam maar later weer iedere zondag aanschoof.
De kinderen vonden het vroeger vooral saai.
Geen televisie tijdens het eten. Geen cola behalve op verjaardagen. Eerst soep, daarna aardappels, groente en vlees. Op de eerste zondag van de maand stoofvlees. Op de laatste zondag pudding uit een glazen schaal die oma al bezat zolang iemand zich kon herinneren.
En altijd die lege stoel.
Toen Saskia twaalf was, probeerde Jeroen er expres op te gaan zitten.
Oma stond bij het aanrecht.
“Jeroen.”
Meer zei ze niet.
Hij stond meteen op.
“Wat is er nou met die stoel?” vroeg hij.
“Niets.”
“Waarom mag niemand erop?”
“Omdat ik dat niet wil.”
“Maar waarom?”
Oma draaide zich om.
“Moet overal een reden voor zijn?”
“Ja.”
“Nee.”
Daarmee was de discussie voorbij.
Hun opa leefde toen al niet meer. Hij was overleden toen Saskia vijf was. De lege stoel was niet van hem geweest; opa zat altijd aan het hoofd van de tafel.
Bovendien had oma na zijn dood gewoon zijn plek ingenomen.
Dus voor wie was die andere stoel?
De kinderen maakten er verhalen van.
Een overleden broer.
Een geheime geliefde.
Een kind dat niemand kende.
Jeroen beweerde een tijdje dat oma tijdens de oorlog iemand had verstopt en dat die persoon ieder moment terug kon komen.
“Na veertig jaar?” vroeg Saskia.
“Misschien woont hij in Australië.”
“Waarom Australië?”
“Daar wonen mensen die verdwijnen.”
Toen ze ouder werden, verdween hun belangstelling.
De zondagse maaltijden veranderden langzaam. De kleinkinderen kregen verkering, banen en eigen huizen. Iedere week werd eens per twee weken. Daarna eens per maand.
Alleen oma bleef om vijf uur eten.
“Waarom zo vroeg?” vroeg Saskia toen ze vijfentwintig was.
“Omdat we altijd om vijf uur eten.”
“Maar waarom?”
“Omdat zes uur te laat is.”
“Voor wat?”
“Voor eten.”
Met oma Annie kwam je niet ver met filosofische vragen.
Toen de eerste achterkleinkinderen kwamen, leefde de traditie even op. De tafel werd weer vol. Kinderstoelen erbij, speelgoed onder tafel, gemorste appelmoes op het kleed.
De lege stoel bleef.
Zelfs toen er eigenlijk te weinig plek was.
“Zet daar toch iemand neer,” zei Els een keer. “We zitten hier met veertien mensen.”
“Nee.”
“Mam, dit is toch onzin?”
“Dan zet je een stoel uit de keuken erbij.”
Dus zat oom Kees die zondag half in de deuropening terwijl naast het raam een uitstekende lege stoel stond.
Niemand vroeg nog waarom.
Het hoorde bij oma.
Zoals haar koekblik.
Haar bloemetjesschort.
De klok die altijd zeven minuten voorliep.
En de la waarin ze elastiekjes, batterijen, postzegels en oude sleutels door elkaar bewaarde.
Oma Annie werd tweeënnegentig.
Tot haar zevenentachtigste kookte ze zelf. Daarna namen de kinderen eten mee.
Tot haar negentigste zat ze iedere zondag aan tafel.
Daarna lukte dat niet meer.
Ze overleed op een dinsdagochtend in haar eigen bed.
Rustig, zei de huisarts.
Saskia was inmiddels drieënvijftig.
De zondag na de begrafenis kwamen ze met de familie bij elkaar om het huis leeg te halen.
Niemand had afgesproken om om vijf uur te eten.
Toch stond Els om tien voor vijf in de keuken soep op te warmen.
“Wat doe je?” vroeg Saskia.
“Eten.”
“Nu?”
Haar moeder keek op de klok.
“Het is bijna vijf.”
Iedereen moest lachen.
Dus zaten ze om vijf uur voor de laatste keer aan oma’s tafel.
Saskia keek naar de stoel bij het raam.
Leeg.
Natuurlijk.
“Zullen we?” vroeg Jeroen.
Hij wees ernaar.
“Wat?”
“Eindelijk iemand erop laten zitten.”
Oom Kees schudde meteen zijn hoofd. “Laat nou maar.”
“Waarom? Oma is er niet meer.”
“Juist daarom.”
Niemand ging erop zitten.
Na het eten begonnen ze de kasten uit te ruimen.
Servies naar Els.
De oude klok wilde niemand.
Het koekblik ging naar Saskia.
“Waarom jij?” vroeg Jeroen.
“Omdat ik het pak.”
“Sterke erfrechtelijke onderbouwing.”
“Dank je.”
In het dressoir vonden ze stapels tafelkleden, verjaardagskaarten en een envelop met oude bonnetjes.
Helemaal onderin lag een dun schrift.
Op de voorkant stond:
ZONDAGEN
“Recepten?” vroeg Jeroen.
Saskia sloeg het open.
Geen recepten.
Datums.
6 maart 1966 — allemaal geweest.
13 maart — Kees ziek.
20 maart — Marjan voor het eerst zelf pudding laten maken. Niet te eten.
Oom Kees begon te lachen.
“Dat is oma.”
Ze bladerden verder.
Decennia aan zondagen.
Geen uitgebreide dagboeken. Alleen korte opmerkingen.
Els vertelde dat ze zwanger is.
Kees nieuwe baan.
Saskia eerste keer mee aan tafel in kinderstoel.
Jeroen heeft soep over tafel gegooid.
“Dat herinner ik me,” zei Els.
“Waarom onthoudt iedereen alleen mijn slechte momenten?”
“Je had er veel.”
Saskia bladerde terug naar het begin.
De eerste bladzijde was van januari 1962.
Daar stond:
Vanaf vandaag weer om vijf uur. Stoel vrijhouden.
Saskia keek naar haar moeder.
“1962?”
Els fronste.
“Toen was ik zes.”
“Voor wie hield ze die stoel vrij?”
“Geen idee.”
Jeroen pakte het schrift.
De weken daarna stond telkens hetzelfde kleine tekentje naast de datum.
Een kruisje.
Soms schreef oma:
Niet gekomen.
Of:
Weer gewacht.
Na ongeveer vijf maanden veranderde het.
Vandaag brief gekregen.
De zondag daarna:
Stoel blijft.
Daarna werd er jarenlang niets meer over geschreven.
“Dit wordt steeds vreemder,” zei Jeroen.
Saskia voelde iets wat ze sinds haar jeugd niet meer had gevoeld.
Nieuwsgierigheid.
“Wie moest er komen?”
Niemand wist het.
Tante Marjan dacht dat het misschien om een familielid ging.
Oom Kees dacht aan een buurman.
Els zei weinig.
Ze keek naar het schrift.
“Wat?”
“Niets.”
“Mam.”
Els zuchtte.
“Ik herinner me iemand.”
Iedereen keek haar aan.
“Wie?”
“Een jongen.”
“Welke jongen?”
“Ik weet het niet meer goed. Ik was klein.”
Ze ging zitten.
“Hij kwam vroeger soms op zondag.”
“Familie?”
“Ik dacht het wel.”
“Hoe heette hij?”
Els sloot haar ogen.
“Wim. Volgens mij.”
Kees keek op.
“Wim?”
“Zegt jou dat iets?”
“Nee.”
Els dacht na.
“Hij was ouder dan wij. Veel ouder. Misschien zestien of zeventien. En ineens was hij weg.”
“Wanneer?”
“Rond die tijd.”
“1962?”
“Ik denk het.”
Saskia pakte het schrift terug.
Op de binnenkant van de achterkaft zat een kleine envelop vastgeplakt.
Die hadden ze nog niet gezien.
Er stond één zin op.
Als jullie eindelijk willen weten voor wie de stoel was.
Jeroen keek naar Saskia.
“Nou, oma kende ons goed.”
In de envelop zat geen brief.
Alleen een sleutel.
En een adres.
Een straatnaam in Rotterdam.
Daaronder:
Nummer 118. Bovenste kastje.
Oom Kees keek verbaasd.
“Wat is daar?”
Niemand wist het.
Els pakte haar telefoon.
Het adres bestond nog.
Een oud appartementencomplex in Rotterdam-West.
“Waarom heeft oma een sleutel van een huis in Rotterdam?” vroeg Saskia.
“Misschien past hij allang nergens meer op,” zei Jeroen.
Maar onder het adres stond nog iets.
In oma’s handschrift:
Wim weet niet dat ik dit bewaard heb.
Nu werd het stil.
“Dus hij leeft misschien nog?” vroeg Saskia.
Els keek naar de datum van de laatste notitie.
“Als hij toen zeventien was, zou hij nu rond de tachtig zijn.”
Jeroen stond op.
“Wanneer gaan we?”
“Waarheen?”
“Rotterdam.”
“Nu?”
Hij keek op de klok.
17.42 uur.
“Waarom niet?”
Saskia keek naar de lege stoel.
Meer dan vijftig jaar had niemand erop mogen zitten.
Ze pakte de sleutel.
“Oké.”