Deel 2
Nummer 118 bleek geen woning meer te zijn.
Het was een kleine opslagruimte achter een voormalige winkel. De bovenwoningen waren jaren geleden samengevoegd en het pand beneden werd gebruikt door een lijstenmaker.
“Annie de Bruin?” vroeg de eigenaar toen Saskia de naam van haar oma noemde.
Hij keek verbaasd.
“Die ken ik.”
“Onze oma?”
“Ja. Ze huurde hier een kast.”
Jeroen keek Saskia aan.
“Een kast?”
De man wees naar achteren.
“Al jaren. Mijn vader verhuurde hem vroeger aan haar. Na zijn dood heb ik het gewoon laten doorlopen.”
“Betaalde ze daarvoor?”
“Eén keer per jaar. Contant.”
Dat klonk precies als oma.
Achter in de opslag stond een hoge houten kast met meerdere afsluitbare vakken.
De sleutel paste op nummer zeven.
Saskia draaide hem om.
Binnen stond één kartonnen doos.
Op het deksel:
WIM
Jeroen tilde hem eruit.
“Dit is officieel het spannendste wat oma ooit gedaan heeft.”
In de doos zaten brieven.
Tientallen.
Allemaal gericht aan Annie.
De oudste uit 1962.
De nieuwste uit 2018.
“Zesenvijftig jaar?” zei Saskia.
Ze pakte de eerste.
Lieve mam.
Saskia stopte.
Jeroen las over haar schouder.
“Wat?”
Ze gaf hem de brief.
Lieve mam,
Ik ben goed aangekomen. Maak je geen zorgen. Ik weet dat je boos bent, maar ik kan niet terug. Niet nu. Misschien later. Zeg tegen de kleintjes maar dat ik werk heb gevonden.
Saskia keek naar haar moeder.
Els was meegekomen en zat op een stoel bij de deur.
“Mam?”
Els keek naar de brief.
“Hij noemde haar mam?”
Niemand zei iets.
Ze lazen verder.
Wim was oma’s zoon.
Geboren in 1944.
Acht jaar vóór haar huwelijk met opa.
“Dat kan niet,” zei Kees.
Maar het kon wel.
Oma Annie was zeventien geweest.
De vader van Wim kwam niet terug uit Duitsland, waar hij tijdens de laatste oorlogsjaren tewerkgesteld was geweest.
Annie voedde haar zoon eerst met haar ouders op.
Later ontmoette ze opa Gerard.
Ze trouwden.
Wim woonde gewoon bij hen.
“Waarom hebben wij hem dan nooit gekend?” vroeg Kees.
Els keek voor zich uit.
“Ik denk dat ik hem wél gekend heb.”
Langzaam kwamen herinneringen terug.
Een oudere jongen die haar op zijn fiets meenam.
Iemand die haar leerde veters strikken.
Een slaapkamer op zolder.
“Waarom wist ik niet dat hij mijn broer was?”
“Omdat je zes was,” zei Saskia zacht.
In 1962 was er ruzie gekomen.
Wim wilde naar zee.
Oma wilde dat niet.
Hij had werk gevonden op een vrachtschip en vertrok zonder haar toestemming.
“Hij was achttien,” zei Jeroen.
“Voor oma waarschijnlijk nog een kind.”
De eerste maanden schreef Wim vanuit havens.
Hamburg.
Lissabon.
Kaapstad.
Singapore.
In iedere brief beloofde hij ooit thuis te komen.
Maar hij kwam niet.
De brief waar oma in haar schrift over schreef, zat er ook tussen.
Ik kom voorlopig niet terug. Ik heb hier iets gevonden wat ik thuis niet had. Ruimte.
Daaronder:
Maar zet zondag geen bord voor me neer. Daar word jij alleen maar verdrietig van.
Oma had blijkbaar geluisterd.
Geen bord.
Wel een stoel.
“Dus daarom,” zei Saskia.
“Ze wachtte.”
Els begon te huilen.
“Mijn hele leven.”
Maar het verhaal was ingewikkelder.
Want Wim was niet verdwenen.
Hij bleef schrijven.
Eerst iedere maand.
Later een paar keer per jaar.
Hij trouwde in Australië.
Kreeg twee kinderen.
Stuurde foto’s.
Oma antwoordde.
Er zaten doorslagen van haar brieven tussen.
Je zus Els heeft een dochter gekregen. Saskia.
Kees is getrouwd.
Gerard is ziek.
Je broer en zussen vragen soms naar vroeger, maar ik weet nooit wat ik moet vertellen.
“Waarom vertelde ze ons dan niets?” vroeg Kees.
De reden stond in een brief uit 1974.
Wim wilde naar Nederland komen.
Opa Gerard wilde hem niet meer in huis.
Niet omdat Wim zijn stiefzoon was.
Maar omdat er bij zijn vertrek een enorme ruzie was geweest.
Wim had opa verweten dat hij nooit werkelijk zijn vader was geweest.
Opa had geantwoord dat hij dan ook niet terug hoefde te komen.
Twaalf jaar later waren beide mannen nog steeds te koppig om de eerste stap te zetten.
“Dus oma zat ertussen,” zei Saskia.
“Jarenlang.”
In 1980 stierf opa.
Saskia wist dat nog vaag.
Daarna schreef oma onmiddellijk aan Wim.
Kom naar huis.
Zijn antwoord was kort.
Ik kan niet.
Zijn vrouw was ernstig ziek.
Later overleed ze.
Daarna waren er kleinkinderen.
Werk.
Gezondheid.
Altijd iets.
Maar de brieven werden warmer.
In 1997 schreef Wim:
Ik denk nog vaak aan zondag vijf uur. Aan jouw draadjesvlees. Aan Kees die altijd de korstjes van zijn brood verstopte. Aan Els die met haar benen onder tafel schopte. Gek wat een mens onthoudt.
Kees veegde over zijn gezicht.
“Dit is mijn broer.”
Niemand corrigeerde hem.
De laatste brief was uit 2018.
Wim schreef dat hij niet meer naar Nederland kon vliegen vanwege zijn gezondheid.
Ik denk dat we allebei moeten accepteren dat die zondag niet meer komt.
Daaronder had oma met blauwe pen geschreven:
Daar beslis jij niet over.
Jeroen lachte zacht.
“Ja. Dat is haar.”
Onder de brieven lag een adres.
Adelaide, Australië.
En een telefoonnummer.
“Uit 2018,” zei Saskia.
“Misschien woont hij daar nog.”
“Misschien leeft hij niet meer.”
Els pakte haar telefoon.
“Dan komen we daar maar op één manier achter.”
Het was midden in de nacht in Australië.
Ze wachtten tot de volgende ochtend.
Om acht uur Nederlandse tijd zaten ze met z’n vieren aan Saskia’s keukentafel.
In Adelaide was het laat in de middag.
Els belde.
Een vrouw nam op.
“Hello?”
Els keek paniekerig naar Saskia.
“Engels.”
“Ja mam, het is Australië.”
Els slikte.
“I’m looking for Wim de Bruin.”
Stilte.
“Who is this?”
“My name is Els.”
Weer stilte.
Toen zei de vrouw:
“Els from Holland?”
Iedereen keek elkaar aan.
“Yes.”
“Oh my God.”
De vrouw heette Margaret.
Ze was Wims dochter.
Wim leefde.
Hij was tweeëntachtig.
Hij woonde sinds een jaar bij haar.
“Can I speak to him?”
Margaret zei niets.
Toen hoorde Saskia haar huilen.
“What’s wrong?”
“My father has been waiting for this call for sixty-four years.”
Een paar minuten later klonk een oude mannenstem.
“Hallo?”
Els begon meteen te huilen.
De man aan de andere kant ook.
“Elsje?”
Niemand had haar in zestig jaar zo genoemd.
“Ja.”
“Ben jij het echt?”
“Ja.”
Toen stelde Wim de eerste vraag.
Niet hoe ze zijn nummer hadden gevonden.
Niet hoe het met haar ging.
Niet wie er nog leefde.
Hij vroeg:
“Is mam er nog?”
Els sloot haar ogen.
“Nee, Wim.”
Het bleef stil.
“Wanneer?”
“Vorige week.”
Aan de andere kant hoorden ze alleen ademhaling.
Toen zei hij:
“En de stoel?”
Els keek naar Saskia.
“Welke stoel?”
“Bij het raam.”
Iedereen verstijfde.
“Hoe weet jij daarvan?”
Wim antwoordde niet meteen.
Toen zei hij:
“Omdat ze me ieder jaar op mijn verjaardag een foto van die stoel stuurde.”