Deel 3
Wim had drieënvijftig foto’s.
Margaret stuurde ze later die dag digitaal.
Steeds dezelfde stoel.
Soms zag je een stukje tafel.
Soms een vaas bloemen.
Op één foto stond de kinderstoel van Saskia ernaast.
Op een andere zag je op de achtergrond kerstkaarten.
De laatste foto was van twee jaar geleden.
Oma’s hand stond erop.
Dun en gerimpeld, rustend op de rugleuning.
Achterop had ze geschreven:
Nog steeds vrij.
Saskia huilde toen ze hem zag.
Niet omdat het alleen verdrietig was.
Het was ook zó typisch oma.
Een vrouw die nauwelijks “ik mis je” kon zeggen, maar meer dan een halve eeuw weigerde iemand anders op een stoel te laten zitten.
Ze begonnen Wim iedere zondag te bellen.
Om vijf uur.
In Australië was het dan diep in de nacht, dus na één week maakte Margaret daar bezwaar tegen.
“Your grandmother may have been stubborn, but we’re not doing this at three in the morning.”
Ze verplaatsten het naar elf uur.
Wim vertelde verhalen.
Over oma als jonge vrouw.
Over opa Gerard.
Over het gezin dat Els en Kees nauwelijks meer konden herinneren.
Hij vertelde hoe hij in 1962 boos het huis uit was gelopen met één koffer en vijfentwintig gulden.
“Waarom ben je nooit teruggekomen?” vroeg Els uiteindelijk.
Wim zweeg.
“Omdat ik na een paar jaar niet meer wist hoe.”
Dat begreep Saskia.
Een ruzie duurt soms tien minuten.
Trots kan hem zestig jaar laten voortduren.
“En oma?”
“Ik heb haar honderden keren willen bellen.”
“Waarom deed je het niet?”
“Ik schreef.”
“Dat is niet hetzelfde.”
“Nee.”
Hij wist dat.
Oma wist het ook.
Ze hadden elkaar in 2004 één keer telefonisch gesproken. Dat ontdekte de familie pas veel later.
“Hoe was dat?” vroeg Kees.
“Vreselijk.”
“Waarom?”
“We hebben allebei gedaan alsof er niets aan de hand was.”
“Waar praatten jullie over?”
“Het weer.”
Jeroen schoot in de lach.
“Vierenveertig jaar niet gezien en dan over het weer?”
“Het regende in Nederland.”
“Dat doet het vaak.”
“Daarom was het een veilig onderwerp.”
Na het gesprek hadden ze elkaar weer geschreven.
Nooit meer gebeld.
Tot het niet meer kon.
Drie maanden na oma’s dood kwam Margaret met een voorstel.
Wim wilde naar Nederland.
Zijn arts vond een vlucht riskant maar niet onmogelijk.
“Doet hij dit echt?” vroeg Saskia.
“Apparently your grandmother has won the argument after her death,” zei Margaret.
Wim kwam in september.
Op Schiphol stond bijna de hele familie.
Saskia had hem alleen op oude foto’s gezien.
Toch herkende ze hem meteen.
Niet aan zijn gezicht.
Aan zijn manier van lopen.
Oma liep precies zo.
Voorovergebogen, kleine snelle passen, alsof de rest van de wereld voortdurend net iets te langzaam ging.
Els stond vooraan.
Wim stopte.
“Elsje.”
Ze sloeg haar armen om hem heen.
Kees stond ernaast en huilde voordat iemand iets had gezegd.
Wim keek hem aan.
“Jij bent dik geworden.”
Kees begon door zijn tranen heen te lachen.
“En jij bent oud.”
“Dat krijg je als je tweeënzestig jaar te laat bent.”
Op zondag gingen ze naar oma’s huis.
Het was nog niet verkocht.
De meubels stonden er grotendeels nog.
Om 16.45 uur begon Els aardappels te schillen.
“Dit meen je niet,” zei Saskia.
“Hij wil om vijf uur eten.”
“Dan moeten we opschieten,” zei Wim vanuit de woonkamer.
Om 16.58 uur zat iedereen.
Kinderen.
Kleinkinderen.
Achterkleinkinderen.
En de stoel bij het raam.
Leeg.
Wim bleef in de deuropening staan.
Hij keek ernaar.
Niemand zei iets.
Toen liep hij langzaam naar de tafel.
Hij legde zijn hand op de rugleuning.
“Deze?”
Els knikte.
“Al die jaren.”
Wim ging zitten.
Voor het eerst sinds 1962 zat er iemand op oma’s lege stoel.
Jeroen keek op de klok.
17.00 uur.
“Eten,” zei Els.
Het was stil tijdens de eerste paar happen.
Toen keek Wim naar het vlees.
“Dit is geen draadjesvlees zoals mam het maakte.”
Els keek beledigd.
“Het is haar recept.”
“Dan doe jij iets verkeerd.”
Daarmee was het ijs gebroken.
De tafel werd luid.
Verhalen door elkaar.
Kinderen die niet luisterden.
Glazen die omvielen.
Precies zoals een familiezondag hoorde te zijn.
Na het eten liep Saskia met Wim door het huis.
In de gang bleef hij bij een donkere plek op het behang staan.
“Hier hing vroeger een spiegel.”
“Hoe weet je dat nog?”
“Ik heb hier achttien jaar gewoond.”
Dat vergaten ze soms.
Voor hen was dit oma’s huis.
Voor hem was het ooit thuis geweest.
Boven op zolder vond hij zelfs een kras in een balk die hij zelf had gemaakt.
“Gerard werd woest.”
“Je noemt opa Gerard.”
Wim knikte.
“Hij was mijn vader niet.”
Saskia wilde iets zeggen.
Toen vervolgde hij:
“Maar hij heeft wel jarenlang geprobeerd het te zijn.”
Misschien was dat de dichtstbijzijnde vergeving die nog mogelijk was.
Wim bleef drie weken.
Daarna ging hij terug naar Australië.
Voor vertrek vroeg hij of hij iets mee mocht nemen.
Iedereen verwachtte een foto.
Een bord.
Iets van oma.
Hij wilde de stoel.
“Die stoel?” vroeg Els.
“Ja.”
“Hoe krijg je die mee naar Australië?”
Margaret zuchtte.
“I knew he was going to ask this.”
De stoel werd uiteindelijk gedemonteerd en verzonden.
Het kostte meer dan hij waard was.
Veel meer.
Wim betaalde zonder discussie.
Een maand later stuurde Margaret een foto.
De stoel stond bij hem thuis aan de eettafel.
Wim zat ernaast.
Niet erop.
Saskia belde hem.
“Waarom zit je er niet op?”
“Dat heb ik één keer gedaan.”
“Hij is toch van jou?”
“Ja.”
“Waarom blijft hij dan leeg?”
Wim glimlachte via het scherm.
“Omdat ik nu weet voor wie hij eigenlijk was.”
Saskia begreep het niet.
“Voor jou.”
“Nee.”
“Voor wie dan?”
“Voor iemand die gemist werd.”
Hij keek naar de lege stoel.
“Nu mis ik haar.”
Wim stierf anderhalf jaar later.
Margaret stuurde de stoel terug naar Nederland.
Hij staat tegenwoordig bij Els thuis.
Niet leeg.
Dat had Wim uitdrukkelijk gevraagd.
Laat er alsjeblieft mensen op zitten. We hebben lang genoeg gewacht.
Dus zit er op verjaardagen een kind op.
Of Jeroen.
Of een buurvrouw.
Soms ligt er een jas overheen.
Oma zou dat laatste waarschijnlijk verschrikkelijk hebben gevonden.
De zondagse maaltijden bestaan nog steeds.
Niet iedere week.
Eens per maand.
En vijf uur blijkt voor vrijwel iedereen onpraktisch, dus tegenwoordig eten ze om halfzes.
“Dit zou oma nooit goedvinden,” zegt Kees iedere keer.
“Dan had ze maar moeten blijven,” antwoordt Els.
Op tafel staat nog steeds de glazen puddingschaal.
Het recept voor draadjesvlees hangt aan de binnenkant van een keukenkastje.
En soms vertelt iemand het verhaal van de lege stoel.
De jongste achterkleinkinderen kennen Wim alleen van foto’s.
Voor hen klinkt Australië niet meer als een plek waar mensen verdwijnen. Je kunt elkaar videobellen, foto’s sturen en binnen een dag aan de andere kant van de wereld staan.
Saskia vindt dat soms een geruststellende gedachte.
Want oma Annie had drieënzestig jaar lang een stoel vrijgehouden voor haar oudste zoon.
Niet omdat ze werkelijk dacht dat hij op een zondag zomaar door de voordeur zou komen.
Waarschijnlijk wist ze allang dat dat niet zou gebeuren.
Maar de stoel zei iets wat zij zelf nooit goed had kunnen zeggen.
Je hoort hier nog.
En uiteindelijk bleek dat genoeg om zes generaties later nog steeds te weten waar iemand moest zitten.