Anja was niet van plan geweest naar de afscheidsmiddag te gaan.
De basisschool was tenslotte maar een gebouw. Een rechthoekig ding van bruine baksteen met te grote ramen, lage gangen en een schoolplein waarop inmiddels speeltoestellen stonden die er in haar tijd nog niet waren geweest. Ze was er in 1979 voor het laatst als leerling naar buiten gelopen en daarna hooguit een paar keer langsgereden.
Toch bleef de uitnodiging bijna twee weken op haar keukentafel liggen.
Nog één keer terug naar De Klimop.
Na de zomervakantie zou het gebouw worden gesloopt. Oud-leerlingen mochten op zaterdagmiddag nog eenmaal binnenkijken voordat de aannemer begon.
“Ga nou,” zei haar dochter Sophie toen ze de uitnodiging zag. “Dit vind je hartstikke leuk.”
“Ik ken daar niemand meer.”
“Dat weet je niet.”
“Ik ben drieënzestig, Sophie. Ik hoef niet per se mijn kapstokhaakje uit 1976 terug te zien.”
Maar op zaterdag om kwart voor twee stond Anja toch voor het hek.
Het eerste wat haar verbaasde, was hoe klein alles was.
Als kind had ze het schoolplein enorm gevonden. Vanaf het hek naar de voordeur leek een halve wandeling en de kastanjeboom in de hoek was in haar herinnering bijna zo hoog als een flatgebouw. Nu liep ze in nog geen twintig passen naar de ingang.
Binnen rook het vreemd genoeg nog bijna hetzelfde.
Schoonmaakmiddel, papier, oude verwarming en ergens heel vaag de geur van natte jassen.
“Bizar hè?”
Anja draaide zich om.
Een vrouw met kort grijs haar stond achter haar.
Anja herkende haar niet.
“Sorry?”
“Dat je meteen weer weet hoe het hier rook.”
Anja lachte. “Precies dat.”
De vrouw wees naar haar naamsticker.
“Anja de Bruin. Zat jij bij meester Van Loon?”
“Ja.”
“Ik ook. Ingrid Vos.”
Toen zag Anja ineens het meisje terug dat ooit naast het raam zat en altijd haar kleurpotloden uitleende.
“Ingrid!”
Binnen een kwartier stond ze met vijf voormalige klasgenoten koffie te drinken uit kartonnen bekertjes.
Namen die tientallen jaren nergens meer waren opgedoken, kwamen terug alsof iemand een oude ladenkast opentrok.
Peter die ooit tijdens de kerstviering flauwviel.
Monique die haar brood altijd ruilde tegen koek.
Rachid die een keer een kikker in de la van de meester had gestopt.
En natuurlijk meester Van Loon.
“Hij kon zo kwaad worden,” zei Ingrid.
“Maar nooit lang,” antwoordde Anja.
“Behalve op Edwin.”
Anja glimlachte.
Edwin.
Ze had in bijna vijftig jaar niet meer aan hem gedacht.
Of dat vertelde ze zichzelf tenminste.
Edwin Vermeer zat vanaf de vierde klas bij haar in de groep. Een magere jongen met donker krullend haar die nooit stil kon zitten en werkelijk overal tekeningen op maakte. Op schriften, tafels, de kaft van de atlas en één keer zelfs op zijn eigen gymschoenen.
Meester Van Loon werd er gek van.
Anja vond het prachtig.
Edwin tekende voor haar dieren. Vooral paarden, omdat hij wist dat zij daar gek op was. Soms vond ze ’s morgens een klein papiertje in haar laatje met een paard erop en daaronder iets idioots als:
Dit paard heet Bert en hij lust geen spruitjes.
Anja bewaarde ze allemaal.
Tot haar vader ze vond.
Wat moet je met die rommel?
Ze verdwenen bij het oud papier.
“Zullen we naar ons oude lokaal?” vroeg Ingrid.
Het lokaal lag aan het einde van de gang.
De deur stond open.
Anja bleef even op de drempel staan.
De inrichting was compleet veranderd, maar de ruimte zelf niet. Dezelfde hoge ramen. Dezelfde vensterbanken. En langs de buitenmuur nog altijd die oude metalen radiatoren.
“Wij zaten daar,” zei Ingrid.
Ze wees naar de raamkant.
Anja wist het onmiddellijk.
Derde rij.
Tweede tafeltje.
Edwin zat achter haar.
Ze liep naar het raam en keek naar buiten. Vanaf hier had ze duizenden keren naar het schoolplein gekeken terwijl meester Van Loon uitleg gaf over breuken of werkwoorden.
“Mevrouw?”
Een jonge man in werkkleding stond in de deuropening.
“Wij gaan zo beginnen met het loshalen van wat spullen. U kunt nog een kwartiertje blijven.”
“Prima.”
Ingrid was inmiddels naar de gang gelopen omdat ze iemand had herkend.
Anja bleef alleen achter.
Ze streek met haar vingers over de vensterbank.
Daar zat nog steeds een kleine beschadiging in het hout.
Zou die er toen ook al hebben gezeten?
Waarschijnlijk niet.
Ze bukte om naar de radiator te kijken.
Ook die was ouder dan zij zich herinnerde.
“Die dingen gaan er vandaag nog uit,” zei de jonge man achter haar. “Wonder dat ze überhaupt nog warm worden.”
Anja lachte.
Toen zag ze iets.
Tussen de radiator en de muur zat een klein stukje geel papier.
Waarschijnlijk afval.
Ze wilde alweer rechtop gaan staan, maar iets aan de kleur trok haar aandacht.
Ze stak haar vingers ertussen.
Het zat vast.
“Hebt u iets nodig?” vroeg de man.
“Volgens mij zit hier iets achter.”
Hij kwam erbij staan en scheen met zijn telefoon.
“Er ligt van alles.”
Met een platte schroevendraaier wist hij de radiator een klein stukje van de muur te duwen. Er vielen twee oude potloden naar beneden, een muntje en een prop papier.
En een dun geel envelopje.
“Archeologische vondst,” zei hij.
Anja pakte het op.
Het papier was bros en stoffig. Op de voorkant stonden met blauwe pen twee woorden.
Voor Anja.
Ze voelde onmiddellijk iets vreemds in haar buik.
“Dat bent u?”
“Ja.”
Het handschrift zei haar niets.
Ze draaide de envelop om.
De plakrand zat nog dicht.
“Openmaken!” riep Ingrid, die inmiddels terug was.
“Misschien is het helemaal niet van toen.”
Ingrid pakte het muntje van de vloer.
“Een kwartje. Volgens mij ligt hier weinig van vorige week.”
Anja keek weer naar de envelop.
Toen maakte ze hem voorzichtig open.
Binnenin zat een velletje gelinieerd schoolpapier, meerdere keren opgevouwen.
Bovenaan stond:
18 juni 1979
Anja voelde haar hart sneller slaan.
Dat was twee weken voordat ze de school verliet.
Ze begon te lezen.
Hoi Anja,
Ik durf dit niet aan je te geven dus daarom verstop ik hem achter de verwarming. Ik ga morgen zeggen waar hij ligt.
Anja glimlachte.
Daaronder stond een klein getekend paard.
Ze wist meteen wie de brief had geschreven.
“Edwin,” zei ze.
Ingrid keek op.
“Edwin Vermeer?”
Anja knikte.
Ze las verder.
Mijn vader zegt dat wij deze zomer gaan verhuizen. Ik mag het nog tegen niemand zeggen.
Ik vind dat stom.
Vooral omdat ik dan jou niet meer zie.
Anja stopte even.
Ze herinnerde zich dat Edwin na de zomervakantie inderdaad weg was geweest.
Niemand wist precies waarheen.
In die tijd wisselden kinderen geen telefoonnummers uit en bestond er geen groepsapp waarin iemand jaren later ineens weer opdook.
Hij was er gewoon niet meer.
Ze las verder.
Ik vind jou het leukste meisje van de klas.
Niet tegen Peter zeggen want dan pest hij mij tot ik dood ben.
Anja begon te lachen.
“Wat staat er?” vroeg Ingrid.
“Dat gaat je niets aan.”
“Dan staat er dus iets interessants.”
Anja las door.
Edwin schreef dat hij later tekenaar wilde worden. Dat hij ooit een boek wilde maken en dat Anja dan het eerste exemplaar kreeg.
Onderaan stond opnieuw een paard.
Daaronder:
Als je later nog weet wie ik ben, dan heb ik in ieder geval niet voor niks naast je gezeten.
Edwin.
Anja streek met haar duim over de tekening.
“Wat lief,” zei Ingrid.
“Hij heeft hem nooit gegeven.”
“Hij wilde de volgende dag vertellen waar hij lag.”
“Blijkbaar niet.”
“Misschien durfde hij alsnog niet.”
Anja vouwde de brief voorzichtig terug.
Er zat nog iets in de envelop.
Een klein vierkant stukje papier.
Daarop stond:
Mijn adres na de verhuizing:
Daaronder een straatnaam.
Kerkstraat 18, Zutphen.
“Daar kunnen we tegenwoordig iets mee,” zei Ingrid.
Anja keek haar aan.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat dit zevenenveertig jaar geleden was.”
“En?”
“Wat moet ik doen? Aanbellen en zeggen dat ik eindelijk zijn brief heb gevonden?”
“Dat zou ik fantastisch vinden.”
“Jij misschien.”
Ingrid pakte haar telefoon.
“Edwin Vermeer. Zutphen.”
“Doe normaal.”
“Er zijn er maar ongeveer twaalf miljoen.”
Anja stopte de brief in haar tas.
“Laat maar.”
Ze liep verder door de school.
Maar de rest van de middag was anders.
Ze keek naar oude klassenfoto’s en hoorde verhalen van mensen die ze decennia niet had gezien, maar haar gedachten bleven teruggaan naar die envelop.
Thuis legde ze hem op tafel.
Die avond pakte ze hem opnieuw.
Edwins tekening was kinderlijk, maar opvallend goed. Het paard had beweging, alsof het ieder moment van het papier kon stappen.
Ze herinnerde zich ineens nog iets.
Een woensdagmiddag waarop Edwin haar had verteld dat hij later boeken wilde tekenen.
“Je bedoelt schrijven?”
“Nee. Tekenen.”
“Dat is toch geen beroep?”
“Wel.”
Ze had hem niet geloofd.
Anja pakte haar telefoon.
Ze typte:
Edwin Vermeer illustrator
Er verschenen verschillende resultaten.
De derde liet haar adem stokken.
Edwin Vermeer — illustrator en kinderboekentekenaar.
Ze klikte.
Een foto van een man met grijs krullend haar verscheen.
Zeventig misschien.
Nee, rekende ze. Drieënzestig. Net als zij.
Onder de foto stonden tientallen boekomslagen.
Dieren.
Veel dieren.
En opvallend vaak paarden.
Anja scrolde verder.
Edwin woonde tegenwoordig in Deventer.
Hij had meer dan zestig kinderboeken geïllustreerd.
Onderaan stond een interview.
Anja klikte erop.
Een van de vragen luidde:
Wanneer wist u dat u tekenaar wilde worden?
Edwins antwoord:
Op de basisschool. Ik tekende voortdurend en gaf tekeningen aan een meisje uit mijn klas. Zij was eigenlijk mijn eerste publiek.
Anja voelde haar gezicht warm worden.
Ze las verder.
Hebt u nog contact met haar?
Helaas niet. We verhuisden nogal plotseling en ik heb haar nooit meer gezien.
Daarna kwam één zin waardoor Anja rechtop ging zitten.
Ik heb haar ooit een brief geschreven, maar die heeft ze waarschijnlijk nooit gekregen.
Anja keek naar de gele envelop op haar keukentafel.
Toen scrolde ze naar beneden.
Onder het interview stond een website.
En daarop:
Contact.
Ze bleef zeker vijf minuten naar het formulier kijken.
Daarna typte ze:
Beste Edwin,
Je had gelijk.
Ik heb je brief nooit gekregen.
Maar vandaag, 47 jaar later, wel.
Ze voegde een foto van de envelop toe.
Toen drukte ze op Verzenden.
De volgende ochtend om 07.12 uur stond er een antwoord in haar mailbox.
Maar niet van Edwin.
Het bericht kwam van zijn vrouw.
En de eerste zin luidde:
Beste Anja, ik denk dat je niet weet hoe lang Edwin heeft gehoopt dat deze brief ooit gevonden zou worden. Er is alleen iets wat ik je moet vertellen voordat je hem spreekt.