Deel 2
Anja las de zin nog een keer.
Daaronder stond:
Edwin heeft twee jaar geleden een beroerte gehad. Hij kan nog tekenen en begrijpt alles, maar praten gaat moeilijk. Schrijven en typen kosten hem veel moeite.
Toen ik hem vanmorgen jouw bericht liet zien, begon hij te huilen.
Anja voelde onmiddellijk spijt.
Waarom had ze überhaupt contact gezocht? Ze had een grappige vondst uit hun jeugd willen delen, niet zomaar het leven van iemand binnenvallen die ze zevenenveertig jaar niet had gesproken.
Maar de volgende alinea veranderde dat.
Hij wil heel graag contact met je.
Als jij dat ook wilt, mag je mij bellen.
Onder het bericht stond een telefoonnummer.
Anja wachtte tot tien uur.
Toen belde ze.
Een vrouw nam op.
“Met Marjan.”
“Goedemorgen. Met Anja de Bruin.”
“O, Anja.”
Alsof ze haar kende.
“Sorry dat ik zomaar—”
“Nee, alsjeblieft. Je hoeft geen sorry te zeggen. Je hebt geen idee wat dit voor hem betekent.”
Marjan vertelde dat Edwin de brief door de jaren heen regelmatig had genoemd. Niet voortdurend en zeker niet alsof hij zijn hele leven op Anja had gewacht. Hij was al zesendertig jaar met Marjan getrouwd. Ze hadden kinderen, kleinkinderen en een goed leven samen.
Maar de brief was een familieverhaal geworden.
“Onze kinderen kennen zelfs het paard,” zei Marjan.
“Het paard?”
“Edwin vertelde altijd dat hij een paard onderaan had getekend.”
Anja lachte verbaasd. “Dat staat er inderdaad.”
“Zie je wel. Ik dacht eerlijk gezegd jarenlang dat hij dat verhaal steeds mooier maakte.”
“Waarom heeft hij hem eigenlijk nooit achter de radiator vandaan gehaald?”
Daarop werd Marjan stil.
“Dat is het gekke.”
“Wat?”
“Hij heeft het geprobeerd.”
Edwin was de volgende ochtend naar school gegaan met het plan Anja te vertellen waar de brief lag.
Maar hij kwam niet in de klas.
Zijn vader stond hem bij het hek op te wachten.
Edwins moeder was die nacht met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het gezin vertrok diezelfde dag naar zijn grootouders in Zutphen. Wat bedoeld was als tijdelijk verblijf werd permanent.
“Hij is nooit meer in dat lokaal geweest.”
Anja keek naar de envelop.
“Dus hij heeft niet eens afscheid kunnen nemen.”
“Nee.”
“En later?”
“Hij heeft nog een brief naar jouw oude adres gestuurd.”
“Die heb ik ook nooit gehad.”
“Dat wist hij.”
“Hoe?”
“De brief kwam retour. Verhuisd.”
Dat klopte.
Anja’s ouders waren in 1981 naar Apeldoorn verhuisd.
“Hij heeft daarna nog een keer geprobeerd je te vinden,” zei Marjan. “Maar ja, jaren tachtig. Geen internet. Geen sociale media.”
Daarna kwam het leven.
Edwin ging naar de kunstacademie.
Anja trouwde.
Edwin trouwde met Marjan.
Kinderen werden geboren.
Ouders overleden.
Huizen werden gekocht en verkocht.
Zevenenveertig jaar verstreken.
“Wil je hem zien?” vroeg Marjan.
Anja schrok van de vraag.
“Zien?”
“Videobellen kan. Maar je mag natuurlijk ook hier komen.”
“Ik wil jullie niet lastigvallen.”
Marjan begon te lachen.
“Anja, mijn man staat sinds zeven uur vanmorgen met zijn telefoon in zijn hand.”
Drie dagen later reed Anja naar Deventer.
Edwin zat in een lichte woonkamer bij het raam.
Ze herkende hem onmiddellijk.
Niet zijn gezicht.
Zijn haar.
Nog altijd die krullen.
Grijs nu.
Toen hij haar zag, stond hij langzaam op.
“Hallo,” zei Anja.
Edwin probeerde iets te zeggen.
Het kwam moeizaam.
“An…ja.”
Ze voelde tranen prikken.
“Ja.”
Hij wees naar haar tas.
Anja begreep hem.
Ze haalde de envelop eruit.
Edwin begon te lachen.
Ze legde hem op tafel.
“Zevenenveertig jaar te laat.”
Edwin tikte met één vinger op zijn borst.
“Mijn… schuld.”
“Nee. Die radiator was gewoon erg grondig.”
Marjan lachte vanuit de keuken.
Op tafel lag een schetsboek.
Edwin sloeg het open.
Op de eerste pagina stond een paard.
Daaronder:
Bert.
Anja sloeg haar hand voor haar mond.
“Dat meen je niet.”
Edwin grijnsde.
Hij wist het nog.
De hele middag bladerden ze door oude tekeningen en foto’s. Praten ging langzaam, maar verrassend genoeg maakte dat weinig uit. Edwin tekende wanneer hij een woord niet kon vinden.
Een schoolbord.
Een kastanjeboom.
Meester Van Loon met enorme oren.
Anja lachte zo hard dat ze ervan moest hoesten.
Toen schoof Edwin aan het einde van de middag een map naar haar toe.
Daarin zat een kinderboek.
De titel luidde:
Het paard dat de weg naar huis vergat.
“Deze ken ik,” zei Anja. “Die heb ik mijn dochter vroeger voorgelezen.”
Marjan keek haar verbaasd aan.
“Serieus?”
“Ja.”
Anja sloeg het boek open.
Copyright 1996.
Sophie was toen zes.
Ze had het tientallen keren moeten voorlezen.
Edwin bladerde naar de laatste pagina.
Daar stond een paard voor een klein huis.
In een van de ramen zat een meisje.
Anja keek ernaar.
Toen naar Edwin.
Hij pakte een potlood.
Onder de illustratie schreef hij langzaam één woord:
Anja.
Ze voelde haar keel dichtknijpen.
“Was dat…?”
Edwin knikte.
Marjan glimlachte.
“Dat wist ik zelfs niet.”
Anja streek over de bladzijde.
Zonder het te weten had ze haar dochter jarenlang een boek voorgelezen waarin een herinnering aan haarzelf verstopt zat.
“Waarom heb je dat nooit verteld?” vroeg Marjan.
Edwin haalde zijn schouders op.
Daarna schreef hij:
Was van mij.
En daaronder:
Nu van haar.
Hij schoof het boek naar Anja.
“Dat kan ik niet aannemen.”
Edwin duwde het nogmaals naar haar toe.
Op de titelpagina schreef hij:
Voor Anja.
Eerste publiek.
Daarna tekende hij hetzelfde kleine paard als onderaan de brief uit 1979.
Toen Anja ’s avonds thuiskwam, belde ze Sophie.
“Ken je dat boek nog over dat paard?”
“Welk paard?”
“Dat paard dat de weg naar huis vergat.”
“O ja! Dat las jij altijd.”
“De tekenaar zat vroeger bij mij in de klas.”
“Wat?”
Anja vertelde het hele verhaal.
Aan de andere kant bleef het even stil.
Toen zei Sophie:
“Mam?”
“Ja?”
“Heb jij mijn exemplaar nog?”
Anja keek naar het boek dat Edwin haar had gegeven.
“Volgens mij ergens op zolder.”
“Zoek eens.”
“Waarom?”
“Gewoon.”
De volgende ochtend klom Anja naar boven.
Na een halfuur vond ze een doos met oude kinderboeken.
Onderaan lag Sophies exemplaar.
De rug was beschadigd en op de kaft zat nog een sticker van een speelgoedwinkel die al jaren niet meer bestond.
Anja bladerde naar de laatste pagina.
Hetzelfde huis.
Hetzelfde paard.
Hetzelfde meisje voor het raam.
Maar nu zag ze iets wat haar vroeger nooit was opgevallen.
Op de brievenbus naast het huis stond een piepklein huisnummer.
18.
Anja voelde een rilling.
Kerkstraat 18.
Het adres dat Edwin in 1979 voor haar op het briefje had geschreven.
Ze maakte een foto en stuurde hem naar Marjan.
Tien minuten later belde haar telefoon.
Marjan.
“Anja?”
“Ja?”
“Edwin wil je iets laten zien.”
“Wat?”
“Hij zegt dat je de allerlaatste bladzijde nog niet hebt bekeken.”
Anja pakte het boek opnieuw.
“Die is leeg.”
“Niet die van jouw exemplaar.”
Anja bladerde verder.
Na het verhaal zat een blanco schutblad.
Ze keek beter.
In de hoek zat een kleine verdikking.
Twee bladzijden waren aan elkaar geplakt.
Voorzichtig schoof ze er een dun mesje tussen.
De pagina’s kwamen los.
Daartussen zat iets wat daar bijna dertig jaar verborgen had gezeten.
Een klein geel velletje papier.
Met bovenaan:
Voor Anja, mocht dit boek ooit toevallig bij jou terechtkomen.