Deel 3
Anja ging op de zoldervloer zitten.
Het papier was dun en op sommige plekken verkleurd. Het handschrift was volwassen, maar ze herkende meteen dezelfde manier waarop Edwin de A van haar naam schreef.
Ze begon te lezen.
Beste Anja,
Dit is waarschijnlijk de meest zinloze brief die ik ooit heb geschreven, want de kans dat juist jij ooit dit exemplaar van dit boek in handen krijgt is ongeveer nul.
Anja glimlachte.
Maar vroeger heb ik één brief voor je verstopt die je nooit gevonden hebt. Dus misschien mag ik er nog eentje verstoppen.
De brief was gedateerd op 3 april 1996.
Edwin schreef dat hij kort daarvoor zijn eerste grote kinderboekopdracht had afgerond. Het verhaal over het paard ging niet over Anja, maar tijdens het tekenen had hij ineens aan hun basisschooltijd gedacht.
Aan het meisje dat zijn tekeningen altijd mooi vond voordat iemand hem ooit had verteld dat tekenen iets kon zijn waar je later je beroep van maakte.
Jij was de eerste die mijn tekeningen bewaarde.
Anja slikte.
Dat was niet helemaal waar.
Haar vader had ze uiteindelijk weggegooid.
Maar Edwin had blijkbaar nooit geweten hoeveel ze voor haar betekenden.
Ik weet niet waar je woont, of je getrouwd bent, of je kinderen hebt, of dat je mijn naam überhaupt nog zou herkennen.
Maar als dit boek ooit bij jou terechtkomt, wil ik alleen zeggen: ik ben inderdaad tekenaar geworden.
Daaronder stond:
Je had ongelijk. Het was dus toch een beroep.
Anja begon hardop te lachen.
Dat herinnerde hij zich óók nog.
Ze las verder.
En mocht je je afvragen of ik die brief achter de radiator ooit vergeten ben: nee.
Volgens mij blijven sommige onafgemaakte dingen gewoon ergens in je hoofd liggen.
Niet omdat ze je leven bepalen.
Alleen omdat je af en toe denkt: hoe zou het daarmee afgelopen zijn?
Onderaan stond geen telefoonnummer.
Geen verzoek om contact te zoeken.
Alleen:
Ik hoop dat het goed met je gaat.
Edwin.
En natuurlijk een paard.
Anja bleef naar het papier kijken.
Toen drong iets anders tot haar door.
Dit exemplaar was niet van haar geweest.
Ze had het boek in 1996 voor Sophie gekocht.
Waarschijnlijk bij de kleine boekhandel in hun woonplaats.
Van duizenden gedrukte exemplaren was precies dit exemplaar bij haar terechtgekomen.
Ze belde Marjan.
“Hoe kan dit?”
“Dat wilde ik je net uitleggen.”
Edwin had voor de eerste oplage van het boek tien presentexemplaren gekregen. In één daarvan had hij de brief verstopt. Daarna had hij het boek tijdens een signeermiddag weggegeven aan een boekhandelaar.
“Welke boekhandel?”
Marjan noemde de naam.
Anja kende hem.
Het was dezelfde winkel waar zij het boek destijds voor Sophie had gekocht.
“Dus hij heeft het daar achtergelaten?”
“Ja. Daarna wist hij niet wat ermee gebeurd was.”
Anja keek naar het versleten boek in haar handen.
“Dit is onmogelijk.”
“Blijkbaar niet.”
Die avond stuurde ze Edwin een foto van de brief.
Daaronder schreef ze:
Ik heb hem gevonden. Deze keer duurde het maar 30 jaar. Vooruitgang.
Het antwoord kwam een uur later via Marjan.
Een foto van Edwin.
Hij zat aan zijn tekentafel en hield een vel papier omhoog.
Daarop had hij twee oude mensen getekend die voor een enorme radiator stonden.
Tussen hen in lag een berg enveloppen.
Anja lachte.
Daarna bleven ze contact houden.
Niet iedere dag.
Soms weken niet.
Maar af en toe stuurde Edwin een tekening.
Anja stuurde foto’s terug van plekken uit hun jeugd.
De oude snoepwinkel, inmiddels een kapsalon.
Het huis waar meester Van Loon had gewoond.
De kastanjeboom bij de school.
De school zelf verdween enkele maanden later.
Anja ging niet kijken toen de sloop begon.
Ze hoefde het niet te zien.
Een week later kreeg ze van Ingrid een foto van het lege terrein.
Raar hè? Helemaal weg.
Anja keek er lang naar.
Maar zo voelde het niet.
Het gebouw was weg.
De klaslokalen waren weg.
De radiator was waarschijnlijk oud ijzer geworden.
En toch was er juist iets teruggekomen.
Op een zondagmiddag kwam Sophie langs met haar eigen dochter, Lotte, die inmiddels acht was.
“Heb je dat paardenboek nog?” vroeg Sophie.
Anja haalde het uit de kast.
De kaft hing bijna los.
“Deze?”
Lotte pakte het boek.
“Wil oma voorlezen?” vroeg Sophie.
Anja keek haar dochter aan.
“Dat kun jij toch?”
“Nee. Deze hoort bij jou.”
Dus zaten ze even later met z’n drieën op de bank.
Anja las het verhaal dat ze bijna dertig jaar eerder tientallen keren aan Sophie had voorgelezen. Over een paard dat verdwaalde en overal naar de weg naar huis zocht.
Toen ze bij de laatste illustratie kwam, wees Lotte naar het meisje voor het raam.
“Wie is dat?”
Anja glimlachte.
“Dat ben ik.”
Lotte keek haar ongelovig aan.
“Jij?”
“Een beetje.”
“Waarom?”
“De meneer die dit getekend heeft, zat vroeger bij mij in de klas.”
“Was hij je vriendje?”
Sophie begon te lachen.
“Nee,” zei Anja.
Toen dacht ze aan de gele envelop.
“Nou ja. Misschien wilde hij dat wel.”
Lotte bladerde naar achteren.
“Wat zit hier?”
“Voorzichtig.”
Anja hielp haar de verborgen brief tevoorschijn halen.
“Is die ook van hem?”
“Ja.”
“Waarom stopte hij die daar?”
Anja dacht even na.
“Omdat hij hoopte dat ik hem ooit zou vinden.”
“Maar hoe wist hij dat jij dit boek zou kopen?”
“Dat wist hij niet.”
Lotte fronste.
“Dat is toch gek?”
“Behoorlijk.”
“Had hij hem dan niet gewoon kunnen opsturen?”
Anja en Sophie keken elkaar aan.
Kinderen van acht konden soms in één zin bijna vijftig jaar ingewikkeld menselijk gedrag oplossen.
“Ja,” zei Anja lachend. “Dat was waarschijnlijk een stuk makkelijker geweest.”
Een paar weken later kwam er een pakket uit Deventer.
Daarin zat een nieuw boek.
Geen gepubliceerd kinderboek.
Een handgemaakt exemplaar.
Op de kaft stond:
Bert en de verdwenen brief
Getekend door Edwin.
Het verhaal ging over een paard dat een brief wilde bezorgen, hem achter een radiator verloor en er zevenenveertig jaar over deed om hem terug te vinden.
Op de laatste bladzijde stond het paard voor een school.
Naast hem stonden twee kinderen.
Een meisje en een jongen.
Daaronder had Edwin geschreven:
Sommige dingen komen te laat.
En soms komen ze precies op tijd om nog een mooi verhaal te worden.
Anja zette het boek naast het oude exemplaar uit 1996.
De twee gele brieven bewaarde ze ertussen.
Niet achter een radiator.
Niet tussen dichtgeplakte pagina’s.
Gewoon waar iedereen ze kon vinden.
Want na zevenenveertig jaar vond ze dat er in deze familie inmiddels wel genoeg verstopt was.