Na 42 jaar boekte Karin opnieuw het vakantiehuisje waar ze als kind iedere zomer kwam. In de keukenkast vond ze iets wat haar familie daar in 1981 had achtergelaten.

Dan gaan we weer naar Vroeger & nostalgie. We hebben schooltijd en eerste liefde al gehad, dus nu pak ik vakanties. Geen geheim kind, erfenis of overleden ouder als grote twist deze keer — echt een ander soort verhaal. En compact, zoals afgesproken.

Categorie: Vroeger & nostalgie

Na 42 jaar boekte Karin opnieuw het vakantiehuisje waar ze als kind iedere zomer kwam. In de keukenkast vond ze iets wat haar familie daar in 1981 had achtergelaten.

Deel 1 van 3

“Je hebt wát geboekt?”

Karin zette haar telefoon op luidspreker en legde hem naast de fruitschaal. “Ons huisje.”

“Welk huisje?”

“Texel. De Koog. Dat houten huisje waar we vroeger iedere zomer zaten.”

Aan de andere kant bleef haar broer Marcel even stil. “Dat bestaat toch allang niet meer?”

“Dus wel.”

Karin had het per ongeluk gevonden. Ze zocht naar een huisje voor een lang weekend met haar man Hans en zag ineens een foto die iets in haar wakker maakte. Een klein wit vakantiehuis met donkergroene kozijnen, een laag dak en twee scheve dennen naast het terras. Het heette tegenwoordig Duinroos, maar in haar jeugd hing naast de voordeur een houten bordje met Zeezicht, terwijl je vanaf het huis helemaal geen zee kon zien.

Van 1974 tot 1981 waren ze er iedere zomer drie weken geweest. Haar vader propte de beige Opel vol met koffers, strandstoelen en boodschappen omdat haar moeder ervan overtuigd was dat op Texel nauwelijks winkels bestonden. Karin en Marcel zaten achterin tussen tassen, emmers en een koelbox. Geen airco. Geen tablet. Alleen een cassettebandje dat na Den Helder steevast begon te haperen.

“Waarom wil je daar terug?” vroeg Marcel.

“Waarom niet?”

“Omdat jij altijd zegt dat je jeugdherinneringen beter met rust kunt laten. Anders ontdek je dat alles kleiner en lelijker was dan je dacht.”

“Dat zeg jij altijd.”

“O. Dan heb ik gelijk.”

Karin boekte toch.

Hans vond het vooral grappig. “Dus ik krijg drie dagen lang rondleidingen langs plekken waar jij in 1978 een ijsje hebt gegeten?”

“Minstens.”

“Kan ik nog annuleren?”

“Nee.”

Toen ze op vrijdagmiddag het terrein op reden, herkende Karin het huis onmiddellijk. Tegelijkertijd klopte er bijna niets meer. Het terras was groter, er zaten zonnepanelen op het dak en de gammele houten schuur was vervangen door een moderne berging. Maar de twee dennen stonden er nog.

Karin stapte uit en bleef kijken.

“En?” vroeg Hans.

“Het is kleiner.”

“Ik zal Marcel bellen om te zeggen dat hij irritant genoeg gelijk had.”

Binnen was nog minder hetzelfde. Nieuwe keuken, nieuwe meubels, witte muren en een badkamer die vroeger niet veel groter was geweest dan een bezemkast. Toch herkende Karin kleine dingen. De schuine balk boven de slaapkamerdeur. Een barst in de stenen vensterbank. Een haakje in de gang waar haar vader altijd zijn regenjas ophing.

“Hier stond een bruine bank,” zei ze.

Hans zette de koffers neer. “Ik ga dit weekend turven hoe vaak je ‘vroeger stond hier’ zegt.”

“Hier stond vroeger ook een tafel.”

“Eén.”

Die avond liepen ze naar het strand. Karin wist de weg nog zonder na te denken. Bij iedere bocht kwam iets terug: de plek waar Marcel ooit in de brandnetels viel, het paadje waar hun vader hen leerde fietsen en het hotel waar hun ouders één keer per vakantie koffie gingen drinken terwijl de kinderen ranja kregen.

Het voelde minder verdrietig dan ze had verwacht. Vooral vreemd. Alsof ze door een decor liep van een film die ze ooit honderden keren had gezien.

De volgende ochtend regende het.

“Perfect,” zei Karin.

Hans keek naar buiten. “Jij hebt een merkwaardige definitie van perfect.”

“Op regenachtige dagen mochten we altijd spelletjes doen.”

“Dat mogen volwassenen tegenwoordig ook bij zon.”

Karin begon uit verveling de keukenkastjes te bekijken. De eigenaar had er mokken, borden en een verzameling glazen in gezet die duidelijk uit vijf verschillende serviezen kwamen. Helemaal bovenin stond een oude metalen broodtrommel.

Ze pakte hem.

“Die is oud.”

Hans keek op van zijn boek. “Niet openmaken. Misschien woont er iets in.”

De trommel was leeg.

Karin wilde hem terugzetten toen ze iets zag op de onderkant van het bovenste kastplankje. Een kras. Ze ging op haar tenen staan.

Er stonden letters.

K + M 1981

Karin begon te lachen.

“Hans!”

“Wat heb je kapotgemaakt?”

“Kom kijken.”

Hij bukte onder het kastje. “K plus M?”

“Karin en Marcel.”

“Romantisch.”

“We waren elf en dertien.”

“Dan neem ik het terug.”

Karin herinnerde zich het niet. Waarschijnlijk hadden zij en Marcel hun initialen erin gekrast omdat hun ouders dat absoluut verboden zouden hebben.

Naast de letters stond een klein pijltje.

→

Het wees naar de achterwand.

Karin voelde langs het hout.

“Wat doe je?”

“Er zit iets.”

De achterwand bewoog een paar millimeter.

Hans legde zijn boek weg. “Nu wordt het interessant.”

Met een bot mes kregen ze het dunne plaatje los. Daarachter zat een smalle ruimte tussen de kast en de muur.

Karin scheen met haar telefoon naar binnen.

“Er ligt iets.”

“Een dode muis?”

“Waarom hoop jij steeds op ellende?”

“Voor het verhaal.”

Ze stak haar hand in de opening en voelde papier.

Het eerste wat ze eruit trok was een vergeelde ansichtkaart van de vuurtoren.

Daarna een plastic zakje.

Binnenin zaten zes voorwerpen.

Een knikker.

Een plastic soldaatje.

Een schelp.

Een munt van één gulden.

Een foto.

En een cassettebandje.

Karin ging aan tafel zitten.

“Dit hebben wij gedaan.”

“Hoe weet je dat?”

Ze hield het soldaatje omhoog. “Deze was van Marcel. Hij had er tientallen.”

Op de foto stonden vier mensen voor het huisje.

Haar vader.

Haar moeder.

Marcel.

En Karin zelf.

Zomer 1981.

Hun laatste vakantie hier.

Karin was elf. Haar haar zat in twee vlechten en ze droeg een geel T-shirt dat ze zich ineens perfect herinnerde.

Haar vader hield een barbecuevork omhoog alsof het een trofee was.

“Mijn god,” zei Karin zacht.

Hans kwam naast haar zitten.

“Je vader?”

Ze knikte.

Haar ouders waren inmiddels allebei overleden. Niet recent; haar vader al vijftien jaar geleden, haar moeder zes jaar geleden. Karin kon zonder verdriet naar veel foto’s kijken.

Deze raakte haar toch.

Omdat niemand op de foto wist dat het de laatste zomer in Zeezicht zou zijn.

Het jaar daarna ging haar vader failliet met zijn kleine bouwbedrijf. Vakanties werden een paar jaar onmogelijk en toen het financieel weer beter ging, waren Karin en Marcel tieners die niet meer drie weken met hun ouders naar Texel wilden.

“Wat staat er op het bandje?” vroeg Hans.

Op het vergeelde etiket stond met blauwe balpen:

VOOR LATER

Daaronder:

NIET EERDER LUISTEREN DAN 2000!!!

Hans keek naar haar.

“Je bent vijfentwintig jaar te laat.”

“Dat overleef ik.”

“Hebben we überhaupt iets waarmee dit afgespeeld kan worden?”

Natuurlijk niet.

Karin belde Marcel.

“Wij hebben iets gevonden.”

“Een goede bakker?”

“Onze tijdcapsule.”

“Onze wat?”

Ze stuurde hem een foto.

Binnen tien seconden belde hij terug.

“Dat soldaatje!”

“Zie je wel.”

“Die was van mij.”

“Dat zei ik tegen Hans.”

“Waar zat dit?”

Karin legde het uit.

Marcel werd stil.

“Nu herinner ik het me.”

“Echt?”

“Ja. Jij wilde een tijdcapsule maken omdat je dat ergens op televisie had gezien.”

“Waarom weet ik daar niets meer van?”

“Omdat je oud bent.”

“Jij bent twee jaar ouder.”

“Precies. Ik heb twee jaar meer ervaring met geheugenverlies.”

“Wat staat er op het cassettebandje?”

“Geen idee.”

“Hebben wij dat opgenomen?”

“Ik denk het.”

“Waarmee?”

“Pap had zo’n cassetterecorder.”

Karin herinnerde zich het apparaat ineens. Zwart, met zilveren knoppen en een rode opnameknop die je tegelijk met ‘play’ moest indrukken.

“Ik wil het horen.”

“Ik ook.”

Die middag kocht Hans bij een tweedehandswinkel in Den Burg een oude cassettespeler.

“De verkoper vroeg of we aan retro-audio deden,” zei hij toen hij terugkwam.

“En?”

“Ik zei dat mijn vrouw archeoloog is.”

Karin stopte het bandje erin.

Het draaide niet.

“Zie je wel,” zei Hans. “Tweeënveertig jaar in een muur is blijkbaar niet de aanbevolen opslagmethode.”

Na voorzichtig heen en weer spoelen begon de cassette toch te lopen.

Ruis.

Gekraak.

Toen een kinderstem.

“Test. Test. Marcel is stom.”

Karin sloeg haar hand voor haar mond.

Marcel, via de telefoon op luidspreker, riep: “Dat ben jij!”

De stem van een jongen volgde.

“Karin heeft een paardenhoofd.”

Hans begon te lachen.

“Jullie waren schattig.”

“Hou je mond.”

Het bandje kraakte verder.

Ze hoorden zichzelf vertellen wat ze in 1981 leuk vonden. Karin wilde later dierenarts worden. Marcel profvoetballer. Ze voorspelden dat er in het jaar 2000 vliegende auto’s zouden zijn en dat hun vader dan “heel oud, misschien wel zestig” zou zijn.

Toen klonk ineens de stem van hun moeder.

“Wat zijn jullie aan het doen?”

Kinderstemmen. Gegiechel.

Daarna hun vader.

“Geef dat ding eens hier.”

Karin verstijfde.

Ze had zijn stem al jaren niet gehoord.

Foto’s waren er genoeg.

Video nauwelijks.

Maar daar was hij.

Jonger dan Karin nu zelf was.

“Is dit voor die tijdcapsule?”

Marcels kinderstem: “Ja. Voor het jaar 2000.”

Hun vader lachte.

“Nou, als jullie dit in 2000 luisteren: ik hoop dat jullie nog steeds een beetje aardig tegen elkaar zijn.”

Karin keek naar de telefoon.

Marcel zei niets.

Hun vader ging verder.

“En als jullie ruzie hebben, is Marcel waarschijnlijk begonnen.”

“Zie je!” zei Karin.

“Manipulatie vanuit het verleden,” antwoordde Marcel.

Toen kwam hun moeder.

“En ruim je kamers op.”

Gelach.

Het bandje liep nog ongeveer tien minuten. Onzin, geluiden van buiten, hun vader die floot tijdens het barbecueën, hun moeder die iemand riep om limonade te halen.

Toen veranderde de opname.

Een klik.

Stilte.

En opnieuw de stem van hun vader.

Maar dit keer waren Karin en Marcel niet op de achtergrond.

“Oké. Volgens mij zijn ze weg.”

Hun moeder fluisterde: “Dit is toch belachelijk, Henk.”

“Nee, laat staan. Misschien vinden ze het ooit.”

Karin keek naar Hans.

Dit gedeelte kende Marcel duidelijk ook niet.

Hun vader sprak zachter.

“Karin en Marcel, als jullie dit later horen, moeten jullie iets weten over deze vakantie.”

Karin voelde haar hart sneller slaan.

“We hebben jullie verteld dat we volgend jaar weer terugkomen.”

Een korte stilte.

“Maar dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren.”

Karin keek naar de oude foto op tafel.

Hun vader ging verder.

“Het gaat niet goed met de zaak. Veel slechter dan jullie denken.”

Hun moeder zei iets onverstaanbaars.

Daarna klonk haar stem duidelijker.

“Vertel ze ook de rest.”

Het bandje kraakte.

Hun vader zuchtte.

“Ja. Dat moet eigenlijk wel.”

Toen stopte de cassette.