Deel 2
“Nee.”
Karin drukte op play.
Niets.
Ze spoelde vooruit.
Terug.
Haalde de cassette eruit en stopte hem opnieuw in het apparaat.
“Kom op.”
Alleen ruis.
“Hij kan toch niet precies dáár stoppen?” zei Marcel via de telefoon.
“Blijkbaar wel.”
Hans pakte de cassette voorzichtig aan. “De band zit vast.”
“Kun je hem maken?”
“Waarom denk jij dat ik verstand heb van cassettes?”
“Omdat je zestig bent.”
“Dat is leeftijdsdiscriminatie.”
De volgende ochtend vonden ze in Den Burg een man die oude audioapparatuur repareerde. Hij heette Joop, was vierenzeventig en keek naar het cassettebandje alsof een chirurg een patiënt onderzocht.
“Band gebroken.”
“Kunt u hem repareren?”
“Ja.”
“Vandaag?”
Joop keek Karin over zijn bril aan. “Mensen wachten tegenwoordig drie weken op een loodgieter, maar een cassette uit 1981 moet vóór de lunch?”
“Graag.”
Om halfdrie belde hij.
Het bandje werkte.
Karin en Hans reden terug naar het huis. Marcel luisterde opnieuw mee via de telefoon.
De stem van hun vader keerde terug.
“De zaak staat op omvallen. Misschien raken we het huis kwijt.”
Karin fronste.
Hun ouderlijk huis?
Dat was nooit gebeurd.
“Maar daar gaat dit niet om,” vervolgde hij. “Jullie moeder en ik hebben besloten dat we iets gaan verkopen voordat het zover komt.”
Hun moeder zei: “Henk…”
“Ze mogen het later weten.”
Toen:
“Dit vakantiehuisje.”
Karin keek om zich heen.
“Wat?”
Marcel reageerde hetzelfde.
“Dit huis was van pap en mam?”
Op het bandje vertelde hun vader verder.
Het huisje was sinds 1969 van hen geweest.
Ze hadden het nooit aan de kinderen verteld.
Voor Karin en Marcel was Zeezicht altijd een huurhuisje geweest waar ze ieder jaar toevallig terugkwamen. Hun ouders hadden dat bewust zo gehouden omdat ze niet wilden dat de kinderen dachten dat hun gezin rijk was.
Het huis werd verhuurd gedurende de rest van het jaar. Van die inkomsten betaalden ze grotendeels hun eigen vakanties.
In 1981 moesten ze verkopen om schulden van het bedrijf af te lossen.
“Dus als jullie later denken dat dit gewoon een vakantiehuisje was: nee,” zei hun vader. “Het was een beetje van ons.”
Daarna kwam hun moeder.
“En daarom willen we dat jullie deze zomer onthouden. Niet omdat het de laatste is. Gewoon omdat hij fijn was.”
De opname stopte.
Dit keer definitief.
Karin keek om zich heen.
Het huis voelde ineens anders.
“Waarom hebben ze dit nooit verteld?” vroeg Marcel.
“Ik weet het niet.”
“Pap heeft die zaak uiteindelijk toch gered?”
“Ja.”
“Dan hadden ze het later kunnen zeggen.”
Dat hadden ze inderdaad.
Maar misschien waren ze het vergeten.
Misschien vonden ze het niet belangrijk.
Of misschien was het een verhaal uit een moeilijke periode waar hun ouders liever niet meer naartoe gingen.
Karin belde tante Els, de jongere zus van haar moeder.
“Wist jij dat Zeezicht van pap en mam was?”
“Zeezicht?”
“Het huisje op Texel.”
“O, dat. Natuurlijk.”
Karin sloot haar ogen.
“Natuurlijk?”
“Ja. Dat hebben ze toch jaren gehad?”
“Wij wisten dat niet.”
“Echt niet?”
“Nee.”
Tante Els begon te lachen.
“Dan hebben ze dat geheim goed volgehouden.”
“Waarom verkochten ze het precies?”
“Om Henk zijn bedrijf.”
“Dat weten we nu.”
“Dat was een ellendige tijd.”
“Waarom is ons huis toen niet verkocht?”
Els werd stil.
“Dat scheelde weinig.”
Karin keek naar Hans.
“Wat bedoel je?”
“Henk had meer schulden dan jullie ooit geweten hebben. Jullie moeder heeft toen alles geregeld.”
“Wat?”
“Zij heeft dat huisje verkocht. Haar sieraden. Volgens mij zelfs de auto.”
De beige Opel verdween inderdaad kort na die zomer.
Karin had altijd gedacht dat hij gewoon oud was.
“Waarom hebben ze ons daar nooit iets over verteld?”
“Omdat jullie kinderen waren.”
“Later dan?”
“Later ging het weer goed.”
Els zei het alsof daarmee alles verklaard was.
Misschien was dat voor haar generatie ook zo.
Probleem opgelost.
Niet meer over praten.
Karin keek naar de gulden uit de tijdcapsule.
“Wat gaan we hiermee doen?” vroeg Marcel.
“Bewaren.”
“Nee. Ik bedoel het huis.”
“Wat zouden we ermee moeten?”
“Het kopen.”
Karin begon te lachen.
Marcel niet.
“Je bent serieus?”
“Waarom niet?”
“Omdat we niet in een feelgoodfilm zitten.”
“Hoeveel kost het?”
“Geen idee.”
“Vraag het.”
“Het staat niet te koop.”
“Alles is te koop.”
“Daar spreekt de makelaar.”
Marcel werkte inderdaad al vijfendertig jaar in vastgoed.
Hans keek geïnteresseerd op.
“Eigenlijk…”
“Niet jij ook.”
“Het zou wel grappig zijn.”
“Een vakantiehuis kopen omdat onze ouders het 45 jaar geleden hebben verkocht?”
“Je hebt voor slechtere redenen schoenen gekocht.”
Karin weigerde.
Tot de eigenaar zondagmiddag langskwam omdat er een probleem was met de verwarming.
Hij heette Peter van Dijk en was eind zestig.
Karin vertelde over de tijdcapsule.
“Wacht eens,” zei hij. “Hoe heetten je ouders?”
“Henk en Joke van Leeuwen.”
Peter keek haar aan.
“Dan heb ik dit huis van jouw ouders gekocht.”
Karin verstijfde.
“U?”
“Mijn vader officieel. Ik was toen vijfentwintig.”
“U kent mijn ouders?”
“Kende.”
Hij keek om zich heen.
“Jouw vader heeft me geleerd hoe je dat dak moest onderhouden.”
Peter herinnerde zich de verkoop goed. Henk wilde aanvankelijk niet verkopen. Joke had uiteindelijk de beslissing genomen.
“Je moeder was een praktische vrouw.”
“Dat klopt.”
“Je vader stond buiten bijna te huilen toen we bij de notaris vandaan kwamen.”
Dat beeld raakte Karin meer dan ze verwachtte.
Haar vader huilde nooit.
Dacht ze.
“Waarom hebben jullie het huis nooit veranderd?”
Peter lachte. “Heb je de badkamer gezien? Er is behoorlijk wat veranderd.”
“Maar de kast bijvoorbeeld.”
“Die zat er al in. Goed hout.”
“En die twee dennen?”
“Daar mocht ik van je vader niet aankomen.”
Karin glimlachte.
“Waarom niet?”
“Door jullie.”
“Door ons?”
“Jullie hadden ze geplant.”
Karin keek naar buiten.
De twee grote dennen naast het terras.
“Dat meen je niet.”
“Volgens je vader waren het twee miezerige boompjes die jullie ergens uit het duin hadden meegenomen. Wat waarschijnlijk niet eens mocht.”
Marcel herinnerde het zich meteen toen Karin hem later belde.
“Ja! Pap werd woest omdat we die dingen hadden uitgegraven.”
“En daarna heeft hij ze geplant?”
“Blijkbaar.”
Karin liep naar buiten.
Ze legde haar hand tegen een van de stammen.
Voor het eerst dat weekend voelde het huis niet kleiner dan haar herinnering.
Iets was juist veel groter geworden.
Peter kwam naast haar staan.
“Grappig dat jullie terug zijn.”
“Ja.”
Hij aarzelde.
“Eigenlijk wilde ik het huis volgend jaar verkopen.”
Karin draaide zich om.
“Nee.”
Peter lachte. “Je broer heeft me nog niet eens gebeld.”
“Dat gaat hij wel doen.”
“Wil je het terug?”
Karin keek naar het huis.
Gisteren zou ze nee hebben gezegd.
Nu wist ze het niet meer.
Toen zei Peter iets waardoor de beslissing nog ingewikkelder werd.
“Als jij serieus geïnteresseerd bent, moet ik je trouwens eerst iets laten zien.”
“Wat?”
“Dat stond in het koopcontract met je ouders.”
“Wat stond daarin?”
Peter glimlachte.
“Dat als het huis ooit weer verkocht werd, hun kinderen als eersten de kans moesten krijgen het terug te kopen.”