Na 42 jaar boekte Karin opnieuw het vakantiehuisje waar ze als kind iedere zomer kwam. In de keukenkast vond ze iets wat haar familie daar in 1981 had achtergelaten.

ADVERTENTIE

Deel 3

“Dat kan toch juridisch niet na 45 jaar?”

“Geen idee,” zei Peter. “Maar het staat er wel.”

Hij had een kopie van de oude koopakte thuis.

Een dag later stuurde hij hem.

Daar stond het inderdaad.

Geen ingewikkelde juridische constructie, maar een aanvullende afspraak tussen beide gezinnen. Mocht de familie Van Dijk het vakantiehuis ooit verkopen, dan zouden Henk en Joke — of later hun kinderen — eerst worden benaderd.

“Pap en mam dachten dus dat we het misschien ooit terug zouden krijgen,” zei Marcel.

“Of ze wilden zichzelf beter voelen toen ze het verkochten.”

“Ook mogelijk.”

Marcel wilde onmiddellijk cijfers zien.

Karin juist niet.

Ze wilde niet dat een weekend vol herinneringen veranderde in hypotheken, rendement en onderhoudskosten.

Bovendien hadden zij en Hans een prima huis. Hun kinderen waren volwassen. Ze gingen graag naar Frankrijk en Italië.

Wat moesten ze met een vakantiehuis op Texel?

“Vakantie vieren?” stelde Hans voor.

“Dank je.”

“Graag gedaan.”

Toch reden Karin en Marcel twee weken later samen opnieuw naar het eiland.

Voor het eerst sinds hun jeugd.

Marcel stond bij de boot met koffie en keek om zich heen.

“Dit was vroeger groter.”

“Alles was vroeger groter.”

“Behalve onze ouders. Die worden in mijn herinnering juist steeds jonger.”

Karin keek naar hem.

Dat begreep ze precies.

Bij het huis liep Marcel meteen naar de kast.

“Kijk nou.”

Hij voelde aan de krasjes.

K + M 1981.

“Jij hebt dit gedaan,” zei Karin.

“Hoe weet je dat?”

“Mijn K is nooit zo lelijk geweest.”

Ze vonden nog meer dingen terug.

De plek achter de schuur waar ze knikkers speelden.

Een oude tegel waarop vaag een blauwe verfvlek zat.

Marcel beweerde dat Karin daar in 1977 een pot verf had omgegooid.

Karin ontkende.

Geen van beiden kon het bewijzen.

Daarna liepen ze naar de twee dennen.

“Die rechter was van mij,” zei Marcel.

“Hoe weet je dat?”

“Mijn boom was groter.”

“Nu misschien.”

“Toen ook.”

“Je bent nog steeds dertien.”

“En jij nog steeds irritant.”

Karin begon te lachen.

Ineens begreep ze waarom hun vader op de cassette had gezegd dat hij hoopte dat ze later nog een beetje aardig tegen elkaar zouden zijn.

Ze zagen elkaar genoeg.

Verjaardagen.

Kerst.

Familiedingen.

Maar wanneer hadden ze voor het laatst een hele dag samen doorgebracht?

Zonder partners.

Zonder kinderen.

Waarschijnlijk tientallen jaren geleden.

“Zullen we het doen?” vroeg Marcel.

“Het huis kopen?”

“Ja.”

“Waarom?”

Hij haalde zijn schouders op.

“Omdat ik het leuk vind.”

“Dat is financieel gezien een indrukwekkende onderbouwing.”

“Jij wilt het ook.”

“Dat weet ik niet.”

“Jawel.”

Karin keek naar het huis.

Toen zei Marcel: “We hoeven pap en mam toch niet terug te kopen.”

Ze keek hem aan.

“Wat?”

“Volgens mij probeer jij dat.”

Die kwam aan.

Want ergens was dat precies wat ze deed.

Als ze het huis terugkochten, konden ze de vakanties niet terughalen.

Hun vader zou niet ineens met een barbecuevork op het terras staan.

Hun moeder zou niet uit het keukenraam roepen dat ze hun voeten moesten afdrogen.

1981 kwam niet terug.

En dat hoefde ook niet.

“Misschien moeten we het juist níét kopen,” zei Karin.

Marcel knikte verrassend snel.

“Dat dacht ik eigenlijk ook.”

“Je zat me net nog over te halen.”

“Ik wilde weten of jij het wilde.”

“Idioot.”

“Familietrekje.”

Uiteindelijk kochten ze het huis niet.

Peter verkocht het een halfjaar later aan een jong gezin uit Utrecht.

Maar voordat de overdracht plaatsvond, mochten Karin en Marcel nog één weekend komen.

Met iedereen.

Hans.

Marcels vrouw.

Hun kinderen.

Kleinkinderen.

Elf mensen in en rond een huisje dat vroeger voor vier personen al klein voelde.

Op zaterdagavond zetten ze een barbecue neer.

“Op deze plek stond hij vroeger ook,” zei Karin.

Hans keek haar aan.

“Zesendertig.”

“Wat?”

“‘Vroeger stond hier’. Ik heb het bijgehouden.”

Ze gaf hem een duw.

Na het eten haalde Marcel de oude cassettespeler tevoorschijn.

Ze luisterden met z’n allen.

De kleinkinderen gierden toen de elfjarige Karin zei dat ze dierenarts wilde worden.

“Maar oma, jij werkt bij een verzekeraar!”

“Het leven loopt soms verkeerd.”

Toen klonk de stem van Henk.

“Ik hoop dat jullie nog steeds een beetje aardig tegen elkaar zijn.”

Niemand zei iets.

Marcel stak zijn glas op.

“Redelijk gelukt.”

Karin tikte ertegenaan.

“Matig.”

De tijdcapsule maakten ze opnieuw.

Niet achter de keukenkast.

Dat huis was straks van iemand anders.

Ze kochten een stevige metalen doos en vroegen Peter of ze hem onder een losse plank in de oude schuur mochten leggen.

Iedereen stopte er iets in.

Een foto van de hele familie.

Een munt van één euro.

Een plastic dinosaurus van Karins kleinzoon.

Een menukaart van de pizzeria.

En een USB-stick.

“Die kan over veertig jaar niemand meer uitlezen,” zei Hans.

“Traditie,” zei Karin.

Op de stick stond een geluidsopname.

Eerst spraken de kleinkinderen.

Wat ze later wilden worden.

Hoe ze dachten dat de wereld er in 2066 uit zou zien.

Daarna Marcel.

Toen Karin.

Als laatste namen ze samen iets op.

“Als iemand dit ooit vindt,” begon Marcel, “dan is dit huis ooit van onze ouders geweest.”

Karin nam het over.

“En daarna niet meer.”

“En dat is niet erg.”

“Want een plek hoeft niet van jou te zijn om bij je te horen.”

Marcel keek haar aan.

“Dat klinkt wel erg sentimenteel.”

“Jij wilde dit doen.”

“Knip dat stukje eruit.”

“Nee.”

Op zondagochtend ruimden ze op.

Karin controleerde voor vertrek nog één keer de keukenkast.

De opening achter de plank was leeg.

De oude tijdcapsule ging mee naar huis.

De gulden kreeg Marcel.

Het soldaatje ook.

“Waarom krijg jij alles?”

“Omdat het van mij is.”

“De gulden niet.”

“Dan krijg jij die.”

Karin hield de foto.

En het cassettebandje.

Bij de deur bleef ze staan.

Ze verwachtte een zwaar gevoel.

Dat kwam niet.

Ze deed de deur dicht en gaf de sleutel aan Peter.

“Dank je.”

“Waarvoor?”

“Dat je die kast nooit vervangen hebt.”

Hij lachte.

“Luiheid blijkt soms nuttig.”

Een jaar later stuurde Peter een foto.

De nieuwe bewoners hadden de kozijnen geschilderd.

Groen.

Precies dezelfde kleur als vroeger.

Karin stuurde hem door naar Marcel.

Kijk.

Hij antwoordde:

Onze bomen staan er ook nog.

Karin typte:

MIJN boom is die grootste.

Binnen een minuut:

Droom verder.

Ze glimlachte.

Op haar kast stond inmiddels de foto uit 1981 in een lijstje.

Vier mensen voor een klein vakantiehuis.

Haar vader met zijn barbecuevork.

Haar moeder lachend.

Twee kinderen die dachten dat ze de volgende zomer gewoon terug zouden komen.

Dat gebeurde niet.

Pas tweeënveertig jaar later.

Maar misschien was dat precies lang genoeg.

Want Karin had gedacht dat ze naar Texel ging om een plek uit haar jeugd terug te vinden.

Uiteindelijk vond ze vooral iets anders terug.

Haar broer van dertien.

Zichzelf van elf.

En de stemmen van twee mensen die allang weg waren, maar op een oud cassettebandje nog steeds precies wisten hoe ze hun kinderen aan het lachen moesten krijgen.

Dit verhaal is afgelopen.

Lees het volgende verhaal

Iedere zondag moest het hele gezin om precies vijf uur bij oma aan tafel zitten. Pas na haar dood ontdekten de kleinkinderen waarom er altijd één stoel leeg moest blijven. →

ADVERTENTIE
ADVERTENTIE