De eerste keer dat Iris het zag, dacht ze er niets van.
Het was 02.17 uur.
Dat wist ze zo precies omdat ze net op haar telefoon had gekeken.
Ze kon niet slapen.
Alweer.
Sinds ze drie maanden eerder uit elkaar was gegaan met Thomas, had haar lichaam blijkbaar besloten dat vier uur slaap per nacht ruim voldoende was.
Iris stond in de keuken met een glas water toen aan de overkant van de straat ineens een lamp aanging.
Boven.
In het huis van meneer Van Beek.
Ze keek ernaar.
Vreemd.
Meneer Van Beek was dood.
Hij was in januari overleden.
82 jaar.
Een rustige man die bijna veertig jaar in hetzelfde huis had gewoond.
Iris kende hem niet goed.
Ze groetten elkaar.
Soms maakte hij een praatje wanneer ze haar fiets buiten zette.
Hij had een kat gehad die Oscar heette en de irritante gewoonte had om in Iris’ tuin te poepen.
Na Van Beeks overlijden hadden zijn kinderen het huis leeggehaald.
Tenminste, dat dacht iedereen.
Er had een afvalcontainer voor de deur gestaan.
Een busje van een kringloopwinkel.
Daarna verscheen een bord van een makelaar in de tuin.
TE KOOP
Sindsdien was het stil.
Dus toen die lamp aanging, dacht Iris:
Tijdschakelaar.
Waarschijnlijk om het huis bewoond te laten lijken.
Ze dronk haar water en ging terug naar bed.
De volgende nacht werd ze opnieuw wakker.
02.14.
Ze draaide zich om.
Sloot haar ogen.
Niets.
Uiteindelijk stond ze op.
02.16.
Ze liep naar het toilet.
Op de terugweg keek ze bijna automatisch uit het slaapkamerraam.
Donker.
Het huis aan de overkant stond er verlaten bij.
Iris wilde het gordijn dichttrekken.
Toen ging de lamp aan.
Ze keek naar haar telefoon.
02.17.
“Serieus?”
Ze bleef staan.
Hetzelfde raam.
Slaapkamer aan de voorkant.
Een warme, gele lamp.
Na ongeveer tien minuten ging hij weer uit.
Tijdschakelaar.
Natuurlijk.
Een week later wist Iris dat de lamp iedere nacht om precies 02.17 uur aanging.
Ze had er niet expres op gelet.
Dat hield ze zichzelf tenminste voor.
Maar als ze toevallig wakker was, keek ze.
02.17.
Aan.
Soms bleef de lamp vijf minuten branden.
Soms twintig.
Eén keer bijna een uur.
Dat vond ze vreemd.
Een tijdschakelaar zou toch iedere nacht ongeveer hetzelfde programma volgen?
“Misschien is het zo’n slimme lamp,” zei haar buurvrouw Ellen toen Iris het vertelde.
Ze stonden bij de kliko’s.
“Die automatisch doet alsof er iemand thuis is.”
“Om kwart over twee ’s nachts?”
“Waarom niet?”
“Wie probeert een inbreker te overtuigen door iedere nacht exact op hetzelfde tijdstip één slaapkamerlamp aan te zetten?”
Ellen haalde haar schouders op.
“Bel de makelaar.”
“Dan klink ik als een gek.”
“Dat doe je nu ook een beetje.”
“Dank je.”
“Graag gedaan.”
Iris liet het los.
Twee dagen.
Op vrijdagavond kwam ze laat thuis van een verjaardag.
Ze parkeerde haar auto.
23.48 uur.
Het huis van Van Beek was donker.
Ze pakte haar tas van de achterbank.
Toen ze de auto op slot deed, hoorde ze iets.
Een deur.
Iris keek op.
Aan de overkant stond de voordeur van het lege huis op een kier.
Ze bleef staan.
Misschien was de makelaar binnen.
Om bijna middernacht?
De deur bewoog.
Heel langzaam.
Daarna viel hij dicht.
Iris voelde kippenvel op haar armen.
“Hallo?”
Waarom ze dat zei, wist ze niet.
Niemand antwoordde.
Ze liep naar haar eigen huis.
Deed de deur op slot.
En keek vanuit haar woonkamer naar de overkant.
Geen licht.
Geen beweging.
Om 02.17 uur ging de lamp boven aan.
Iris stond al bij het raam.
Dit keer wist ze zeker dat er iemand binnen was.
De volgende ochtend belde ze de makelaar.
“Goedemorgen, Makelaardij De Groot.”
“Goedemorgen. Ik heb een vraag over de woning aan de Acacialaan 14.”
“Wilt u een bezichtiging inplannen?”
“Nee.”
Stilte.
“Waarmee kan ik u helpen?”
“Ik woon er tegenover.”
“Oké.”
“Hoort daar iemand te zijn?”
“Hoe bedoelt u?”
“Woont er momenteel iemand?”
“Nee, de woning staat leeg.”
“Heeft iemand toegang?”
“De eigenaren natuurlijk. En wij.”
“Was er gisteravond iemand?”
“Dat zou ik moeten nakijken.”
“Rond middernacht.”
“Een bezichtiging om middernacht lijkt me sterk.”
“Dat dacht ik ook.”
De vrouw aan de telefoon lachte voorzichtig.
“Waarom vraagt u dit?”
Iris vertelde over de voordeur.
Niet over de lamp.
Nog niet.
“Dat is vreemd,” zei de vrouw.
“Ja.”
“Ik zal de makelaar vragen vandaag even langs te gaan.”
“Dank u.”
“Als u iemand ziet inbreken, moet u natuurlijk de politie bellen.”
“Dat snap ik.”
Iris hing op.
Om vier uur belde de makelaar terug.
“We hebben de woning gecontroleerd.”
“En?”
“Alles was afgesloten.”
“Was er iemand binnen?”
“Nee.”
“Zeker?”
“Ja.”
“En boven?”
“Ook niets.”
Iris aarzelde.
“Er gaat iedere nacht een lamp aan.”
“Een lamp?”
“Om 02.17 uur.”
“Dat zal waarschijnlijk een timer zijn.”
“Is dat zo?”
“Dat weet ik niet uit mijn hoofd.”
“Kunt u dat controleren?”
De man klonk nu minder enthousiast.
“Ik kan het navragen bij de verkopers.”
“Fijn.”
Hij belde niet terug.
De lamp bleef aangaan.
02.17.
Iedere nacht.
Iris probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat het niets was.
Tot dinsdag.
Ze stond voor haar slaapkamerraam.
De lamp sprong aan.
Iris keek.
En bevroor.
Er stond iemand voor het raam.
Een silhouet.
Niet duidelijk genoeg om een gezicht te zien.
Maar absoluut een persoon.
Klein.
Smalle schouders.
Het figuur bleef een paar seconden staan.
Toen liep het weg.
Iris pakte onmiddellijk haar telefoon.
Ze maakte een foto.
Te laat.
Alleen het verlichte raam.
“Verdomme.”
Ze bleef kijken.
Niets.
Toen ging het licht uit.
02.24.
De volgende ochtend liep ze naar Ellen.
“Ik heb iemand gezien.”
Ellen keek haar aan.
“Waar?”
“In het huis.”
“Van Beek?”
“Ja.”
“Bel de politie.”
“En zeg wat? Dat ik om kwart over twee een schaduw zag?”
“Ja.”
“Ze verklaren me voor gek.”
“Dan zijn we met z’n tweeën.”
Iris keek naar het huis.
“Misschien is het één van zijn kinderen.”
“Waarom zou die iedere nacht om 02.17 uur komen?”
“Geen idee.”
Ellen trok haar jas dichter.
“Ga er in ieder geval niet zelf heen.”
“Dat was ik niet van plan.”
“Ik ken jou.”
“Wat betekent dat?”
“Dat jij precies het soort persoon bent dat in een horrorfilm zegt: ik ga alleen even kijken.”
Iris lachte.
“Ik ga niet naar binnen.”
Drie nachten later ging Iris naar binnen.
Het was niet gepland.
Tenminste, niet echt.
Ze kwam om half twee thuis van haar zus.
Toen ze uit de auto stapte, keek ze automatisch naar nummer 14.
Donker.
Ze liep naar haar voordeur.
Toen hoorde ze iets.
Een zacht geluid.
Alsof ergens hout over hout schuurde.
Ze draaide zich om.
De voordeur van nummer 14 stond open.
Niet op een kier.
Echt open.
Iris bleef op haar stoep staan.
“Ellen heeft gelijk,” mompelde ze.
Ze pakte haar telefoon.
Misschien moest ze de politie bellen.
Maar wat zou ze zeggen?
Hallo, de voordeur van een leegstaand huis staat open?
Dat was op zichzelf genoeg reden.
Ze liep toch de straat over.
Alleen om te kijken.
Niet naar binnen.
Dat sprak ze nadrukkelijk met zichzelf af.
Bij de voordeur bleef ze staan.
Binnen was het donker.
“Hallo?”
Geen antwoord.
“Is daar iemand?”
Stilte.
Iris scheen met haar telefoon naar binnen.
De gang was leeg.
Ze zag de trap.
Een kapstok.
Een klein tafeltje.
Dat verbaasde haar.
Ze dacht dat het huis leeg was.
“Hallo?”
Weer niets.
Toen hoorde ze boven iets vallen.
Iris schrok zo hard dat ze bijna haar telefoon liet vallen.
“Wie is daar?”
Geen antwoord.
Ze had nu echt de politie moeten bellen.
In plaats daarvan zette ze één stap naar binnen.
Toen nog één.
Het huis rook niet leeg.
Dat was het eerste wat haar opviel.
Lege huizen hadden een bepaalde geur.
Koud.
Stoffig.
Dit huis rook naar koffie.
En iets zoets.
Vanille misschien.
Iris scheen de woonkamer in.
Er stond nog een bank.
Een tafel.
Twee stoelen.
Op de tafel lag een boek.
Ernaast stond een mok.
Iris raakte hem aan.
Warm.
“Oké.”
Haar hart bonsde.
Er woonde iemand.
Ze draaide zich om.
Ze wilde weg.
Toen ging boven de lamp aan.
Iris keek naar haar telefoon.
02.17.
Ze had moeten rennen.
Dat wist ze.
Maar nu was ze al binnen.
“Hallo?”
Voetstappen.
Boven.
Langzaam.
Eén.
Nog één.
Iemand kwam richting de trap.
Iris deed een stap achteruit.
“Ik heb de politie gebeld!”
Dat was niet waar.
De voetstappen stopten.
Toen klonk een stem.
Een vrouwenstem.
“Niet doen.”
Iris verstijfde.
“Wie bent u?”
Geen antwoord.
“Dit huis staat leeg.”
“Dat weet ik.”
“Kom naar beneden.”
“Waarom?”
“Omdat ik anders wél de politie bel.”
Stilte.
Toen verscheen boven aan de trap een vrouw.
Ze was oud.
Dat had Iris niet verwacht.
Misschien zeventig.
Misschien ouder.
Grijs haar in een losse knot.
Donkerblauwe kamerjas.
Pantoffels.
Niet bepaald het uiterlijk van een professionele inbreker.
De vrouw hield zich vast aan de trapleuning.
“Wie bent u?” vroeg Iris.
“U moet weg.”
“Woont u hier?”
De vrouw antwoordde niet.
“Dit huis is van de kinderen van meneer Van Beek.”
“Ik weet van wie het huis is.”
“Kent u hen?”
“Ja.”
“Wie bent u dan?”
De vrouw kwam langzaam naar beneden.
“Hoe bent u binnengekomen?”
“Met een sleutel.”
“U heeft een sleutel?”
“Al 23 jaar.”
Iris keek haar aan.
“Wat?”
De vrouw liep langs haar heen naar de woonkamer.
“U kunt beter naar huis gaan.”
Iris volgde haar.
“Niet voordat u vertelt wat hier gebeurt.”
“Er gebeurt niets.”
“U woont in een huis dat volgens de makelaar leegstaat.”
“De makelaar weet niet alles.”
“De kinderen van meneer Van Beek wel?”
De vrouw bleef staan.
Dat was blijkbaar de verkeerde vraag.
“Wie bent u?”
De vrouw keek haar aan.
“Clara.”
“Clara wat?”
“Meijer.”
“En wat deed u met meneer Van Beek?”
Clara’s gezicht veranderde.
“Wat bedoelt u?”
“Waarom heeft u een sleutel van zijn huis?”
Clara keek naar de stoel naast de tafel.
“Jan heeft hem mij gegeven.”
“Jan?”
“Meneer Van Beek.”
Iris had zijn voornaam niet eens gekend.
“Waarom?”
Clara ging zitten.
Plotseling zag ze er heel moe uit.
“Omdat ik hier woonde.”
Iris keek om zich heen.
“Hier?”
“Ja.”
“Maar de buren zeggen dat meneer Van Beek alleen woonde.”
“Dat zeiden ze inderdaad.”
“En zijn kinderen?”
Clara lachte kort.
“Die zeiden dat ook.”
Iris begreep er niets van.
“Hoe lang woonde u hier?”
“Drieëntwintig jaar.”
“Dat kan niet.”
“Toch is het zo.”
“Ik woon hier negen jaar. Ik heb u nog nooit gezien.”
“Dat was ook de bedoeling.”
Iris ging tegenover haar zitten.
“Waarom zou iemand drieëntwintig jaar verbergen dat u hier woont?”
Clara keek naar haar handen.
“Omdat Jan getrouwd was toen wij elkaar leerden kennen.”
Iris voelde dat ze langzaam begon te begrijpen waar dit heen ging.
“Met de moeder van zijn kinderen?”
Clara knikte.
“Wanneer is zij overleden?”
“Vijfentwintig jaar geleden.”
“En daarna?”
“Daarna konden Jan en ik eindelijk samen zijn.”
“Waarom moest dat dan nog geheim?”
Clara keek haar aan.
“Omdat zijn kinderen mij de schuld gaven van alles.”
“Van de affaire?”
“Van het einde van hun gezin.”
“Maar hun moeder was overleden.”
“Dat maakte voor hen weinig verschil.”
Jan en Clara hadden elkaar leren kennen toen ze allebei in de vijftig waren.
Jan was getrouwd.
Clara niet.
Ze kregen een relatie.
Geen paar maanden.
Jaren.
Jan wilde zijn vrouw uiteindelijk verlaten.
Maar voordat hij dat deed, werd zij ernstig ziek.
“Hij bleef bij haar,” zei Clara.
“En u?”
“Ik wachtte.”
“Hoe lang?”
“Bijna drie jaar.”
Na de dood van zijn vrouw vertelde Jan zijn kinderen over Clara.
Het ging verschrikkelijk.
Zijn zoon vertrok midden in het gesprek.
Zijn dochter zei dat ze nooit meer thuis zou komen als Clara daar woonde.
“Dus u trok niet in?”
Clara glimlachte verdrietig.
“Jawel.”
Iris fronste.
“Maar stiekem?”
“Zo kun je het noemen.”
Overdag had Clara haar eigen appartement.
Tenminste, officieel.
Daar stond ze ingeschreven.
Daar ontving ze post.
Daar kwam Jans familie soms langs.
Maar de meeste avonden en nachten bracht ze bij Jan door.
“Drieëntwintig jaar?”
“Ja.”
“Dat is krankzinnig.”
“Waarschijnlijk.”
“Waarom accepteerde u dat?”
Clara keek haar aan.
“Omdat mensen heel veel accepteren als ze bang zijn iemand kwijt te raken.”
Iris dacht aan haar eigen relatie met Thomas.
Aan alle dingen die ze achteraf gezien veel te lang had geaccepteerd.
“En de kinderen hebben u nooit ontdekt?”
Clara keek weg.
“Jawel.”
“Wanneer?”
“Twee jaar geleden.”
Iris voelde onmiddellijk dat dit belangrijk was.
“Wat gebeurde er?”
“Zijn dochter kwam onverwacht binnen.”
“En u was hier.”
“Ja.”
“Wat zei ze?”
“Niet veel.”
“Accepteerde ze het?”
Clara lachte.
“Nee.”
“Maar ze wist dus dat u hier woonde.”
“Ja.”
“En zijn zoon?”
“Die hoorde het later.”
“Dan klopt het niet.”
“Wat niet?”
“De kinderen zeggen dat het huis leeg is.”
Clara zei niets.
“Ze weten dat u hier woont.”
“Dat weten ze.”
“Waarom doet de makelaar dan alsof niemand toegang heeft?”
“Omdat ik volgens hen niet meer hier hoor te zijn.”
Iris keek naar haar.
“Hebben ze u eruit gezet?”
Clara knikte langzaam.
“De dag na Jans begrafenis.”
Iris voelde haar boosheid opkomen.
“De dag erna?”
“Ze hebben de sloten laten vervangen.”
“Maar u heeft een sleutel.”
“Van de achterdeur.”
“Die hebben ze niet vervangen?”
“Blijkbaar niet.”
“En daarom komt u ’s nachts terug?”
Clara knikte.
“Waarom om 02.17 uur?”
Voor het eerst die nacht glimlachte ze.
“Jan werd iedere nacht wakker.”
“Om 02.17 uur?”
“Bijna altijd.”
“Waarom?”
“Geen idee. Zijn interne klok was irritant nauwkeurig.”
“En dan?”
“Dan maakte hij thee.”
Iris keek naar de mok op tafel.
“En u?”
“Ik werd er natuurlijk ook wakker van.”
“Daarom gaat die lamp aan.”
“Gewoonte.”
“Maar waarom komt u überhaupt nog terug?”
Clara keek om zich heen.
“Waar moet ik anders heen?”
“Uw appartement?”
Clara keek haar aan.
“Dat heb ik al jaren niet meer.”
Iris verstijfde.
“Maar u zei…”
“Dat ik daar officieel stond ingeschreven.”
“Ja.”
“Dat was vroeger.”
“Waar woont u dan officieel?”
Clara zweeg.
“Clara?”
“Hier nergens.”
Iris voelde haar maag samentrekken.
“U bent dakloos?”
“Dat woord vind ik nogal dramatisch.”
“Waar slaapt u?”
Clara keek naar boven.
Iris begreep het.
“Hier.”
“En overdag?”
“Bibliotheek. Winkelcentrum. Soms bij een vriendin.”
“En iedere avond komt u terug?”
“Niet iedere avond.”
“Hoe lang doet u dit al?”
“Sinds Jan dood is.”
“Drie maanden?”
Clara knikte.
Iris stond op.
“Dit kan niet.”
“Dat weet ik.”
“U moet hulp krijgen.”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik dan moet uitleggen waarom ik hier woonde.”
“Dat heeft u net aan mij uitgelegd.”
“U bent Jans kind niet.”
“Nee.”
“Dat maakt nogal verschil.”
Iris liep naar het raam.
Aan de overkant stond haar eigen huis.
Licht uit.
Alles normaal.
Als ze niet wakker was geworden, had ze nooit geweten dat hier iedere nacht een vrouw sliep.
“Wat gebeurt er als het huis verkocht wordt?”
Clara antwoordde niet.
Iris draaide zich om.
“Clara?”
“Dan ga ik weg.”
“Waarheen?”
“Dat zie ik dan wel.”
“U bent ruim zeventig.”
“74.”
“Dat maakt het niet beter.”
“Ik red me.”
Iris keek haar aan.
“U verstopt zich iedere nacht in een huis dat te koop staat.”
Clara glimlachte.
“Als u het zo zegt, klinkt het inderdaad minder overtuigend.”
Iris pakte haar telefoon.
“Wat doet u?”
“Ik ga iemand bellen.”
“Niet de politie.”
“Nee.”
“De makelaar?”
“Ook niet.”
“Wie dan?”
Iris stopte.
Eigenlijk wist ze het zelf nog niet.
“U kunt hier niet blijven zonder dat iemand het weet.”
Clara stond op.
“Dat is precies wat ik al drie maanden doe.”
“En als er morgen een bezichtiging is?”
“Dan ben ik weg voordat ze komen.”
“En uw spullen?”
“Die zitten in twee koffers.”
Iris keek naar de trap.
“Waar?”
“Boven.”
“Dat is alles?”
Clara knikte.
Drieëntwintig jaar.
Twee koffers.
Iris voelde iets in haar borst.
“Waarom heeft Jan niets voor u geregeld?”
Clara keek weg.
“Dat heeft hij geprobeerd.”
“Wat betekent dat?”
“Dat is een lang verhaal.”
“Het is half drie. Ik heb tijd.”
Clara glimlachte heel even.
“Jan dacht dat hij alles goed geregeld had.”
“Met een testament?”
“Onder andere.”
“Dan heeft u toch rechten?”
“Volgens zijn kinderen niet.”
“En volgens u?”
Clara keek haar recht aan.
“Volgens mij staat de helft van dit huis al jaren op mijn naam.”
Iris staarde haar aan.
“Wat?”
“Niet officieel.”
“Dan staat het dus niet op uw naam.”
“Dat is wat zijn zoon ook zei.”
“Hoe kan iets onofficieel voor de helft van u zijn?”
Clara liep naar een kast.
Ze haalde een oude envelop tevoorschijn.
“Omdat ik 21 jaar geleden €68.000 aan Jan heb gegeven.”
“Waarvoor?”
“De hypotheek.”
Iris pakte de envelop niet aan.
“U heeft €68.000 in dit huis gestoken?”
“Ja.”
“Waarom?”
“Omdat we hier samen woonden.”
“Staat dat ergens?”
Clara hield de envelop omhoog.
“Dat is precies het probleem.”
Iris keek naar de vergeelde envelop.
“Wat zit daarin?”
“Een afspraak tussen Jan en mij.”
“Ondertekend?”
“Ja.”
“Door wie?”
“Door ons allebei.”
“Dan heeft u toch bewijs?”
Clara keek naar de envelop.
“Misschien.”
“Misschien?”
“Jan heeft jaren later iets anders laten opstellen.”
“Wat?”
“Dat weet ik niet.”
“Hoe weet u dan dat het bestaat?”
“Omdat zijn dochter het na de begrafenis heeft gevonden.”
Iris voelde opnieuw die rilling.
“En?”
Clara keek haar aan.
“Ze heeft het meegenomen.”
“Waarom?”
“Dat zou ik ook graag weten.”
Buiten reed ergens in de verte een auto voorbij.
Iris keek naar de oude vrouw.
Naar het huis waarvan iedereen zei dat het leegstond.
Naar de envelop in haar hand.
“Clara…”
“Ja?”
“Volgens mij gaat dit helemaal niet over het feit dat u hier stiekem woont.”
Clara schudde langzaam haar hoofd.
“Nee.”
“Waar gaat het dan over?”
Clara keek naar de trap.
Daarna naar de voordeur.
Alsof ze bang was dat iemand meeluisterde.
Toen zei ze:
“Over de reden waarom Jans kinderen zo’n haast hebben om dit huis te verkopen.”