Mijn nieuwe buurvrouw zette iedere avond om zes uur een bord eten voor mijn deur. Toen ik ontdekte voor wie het eigenlijk bedoeld was, begreep ik waarom ze nooit aanbelde.

De eerste keer dacht Nina dat het een welkomstcadeautje was. Ze woonde al acht jaar in hetzelfde rijtjeshuis, maar sinds drie dagen had ze een nieuwe buurvrouw: Ria, een vrouw van ergens in de zestig met kort grijs haar, een rode bril en een opvallend talent om binnen vijf minuten een complete verhuiswagen leeg te dirigeren.

“Ik ben heel makkelijk,” had Ria bij hun kennismaking gezegd. “Als je muziek draait, draai je muziek. Als je een feestje hebt, heb je een feestje. Alleen als je om drie uur ’s nachts gaat boren, krijgen we ruzie.” Nina had haar meteen gemogen.

Dus toen er die maandagavond rond zes uur een ovenschaal voor haar voordeur stond, dacht ze automatisch aan Ria. De lasagne was nog warm en er zat geen briefje bij. Nina liep ermee naar de buren en belde aan. “Die lasagne is van jou, neem ik aan?”

Ria keek haar verbaasd aan. “Welke lasagne?”

“Deze. Hij stond voor mijn deur.”

Heel even veranderde Ria’s gezicht. Het was maar een fractie van een seconde, maar Nina zag het. Daarna glimlachte ze. “O, die. Verkeerde deur.” Ze pakte de schaal uit Nina’s handen en liep ermee naar binnen.

Nina bleef op de stoep staan. Verkeerde deur? Er waren hier maar twee voordeuren.

De volgende avond gebeurde precies hetzelfde. Om zes uur stond er een pannetje erwtensoep voor Nina’s deur. Toen ze ermee bij Ria aanbelde, duurde het bijna een minuut voordat haar buurvrouw opendeed.

“Je hebt weer verkeerd bezorgd,” zei Nina.

Ria keek naar de pan en zuchtte. “Verdorie.”

“Voor wie is het eigenlijk?”

“Voor mezelf.”

Nina begon te lachen. “Je kookt voor jezelf en zet vervolgens je avondeten buiten bij de buren?”

“Blijkbaar.”

“Ria, je bent een slechte leugenaar.”

“En jij bent nieuwsgierig. Dan zijn we allebei iets.”

Daar kon Nina weinig tegenin brengen. Ria nam de pan aan en sloot de deur.

Woensdag besloot Nina daarom eens op te letten. Om vijf voor zes zat ze in haar woonkamer met uitzicht op Ria’s voordeur. Om vier over zes zag ze haar buurvrouw naar buiten komen met een bord dat was afgedekt met aluminiumfolie. Nina verwachtte dat ze naar haar toe zou lopen, maar Ria draaide de andere kant op en verdween in de smalle doorgang tussen hun huizen.

Een minuut later kwam ze zonder bord terug.

Nina wachtte tien minuten voordat ze haar schoenen aantrok. Ze voelde zich belachelijk nieuwsgierig, maar inmiddels wilde ze weten wat er gebeurde.

Het steegje kende ze natuurlijk, al gebruikte ze het bijna nooit. Halverwege zag ze iets wat haar in al die jaren nooit was opgevallen: een oude groene houten deur, bijna volledig verborgen achter klimop. Nina probeerde de klink. Op slot.

Toen hoorde ze achter de deur het geluid van bestek.

Ze verstijfde. Er zat iemand te eten.

“Hallo?”

Het geluid stopte onmiddellijk. Nina wachtte en riep nog een keer. Uiteindelijk klonk er een mannenstem. “Ria?”

“Nee. Ik ben Nina, van hiernaast. Wie bent u?”

Een paar seconden bleef het stil. Toen antwoordde de man: “U kunt beter weggaan.”

Dat was het moment waarop Nina besloot dat ze voor één keer naar een onbekende man achter een geheimzinnige deur moest luisteren.

De volgende ochtend stond Ria al om kwart over acht voor haar huis. Zonder goedemorgen zei ze: “Je bent gisteren bij die deur geweest.”

Nina knikte. “Omdat er iemand achter zit.”

“Dat gaat jou niets aan.”

“Dat is een interessante reactie op een onbekende man die blijkbaar achter onze huizen woont.”

“Er woont niemand.”

“Dat zei hij ook. Vanuit het huisje waarin hij niet woont.”

Ria kneep haar lippen op elkaar. Nina maakte duidelijk dat ze niet van plan was de hele buurt erbij te halen, maar wel wilde weten waarom er ineens een vreemde man achter haar tuin verbleef. Uiteindelijk gaf Ria toe.

“Hij heet Henk. Hij is mijn ex-man.”

Nina dacht dat ze haar verkeerd verstaan had. “Je ex-man woont in dat huisje?”

“Tijdelijk.”

“Hoe tijdelijk?”

Ria keek weg. “Bijna drie maanden.”

Het werd steeds vreemder. Henk was niet dakloos. Hij had een eigen huis en woonde daar normaal gesproken met zijn huidige vrouw, Caroline, met wie hij al veertien jaar getrouwd was.

“Waarom zit hij dan hier?”

“Omdat hij niet naar huis durft.”

“En Caroline weet dat hij bij jou is?”

Ria schudde haar hoofd.

Nina voelde haar verbazing omslaan in ongerustheid. “Weet zijn vrouw überhaupt waar hij is?”

“Nee.”

“Die vrouw denkt dus al drie maanden dat haar man verdwenen is?”

Ria antwoordde niet, en dat was antwoord genoeg.

Henk was drie maanden eerder onverwacht bij haar voor de deur verschenen. Hij had één tas bij zich, geen telefoon en zelfs geen jas. Hij vroeg of hij één nacht mocht blijven. Ria had hem bijna weggestuurd, maar toen ze zag hoe bang hij was, liet ze hem binnen. De volgende ochtend ontdekte ze dat Caroline hem als vermist had opgegeven. Zijn kinderen zochten hem en zelfs de politie had Ria gebeld omdat zij zijn ex-vrouw was.

“En jij zei dat je niets wist?” vroeg Nina ongelovig.

“Ja.”

“Je hebt tegen de politie gelogen.”

“Dat weet ik.”

“Waarom?”

Ria keek naar het achterhuisje. “Omdat Henk me vertelde waarom hij gevlucht was.”

Volgens Henk probeerde Caroline hem langzaam te vergiftigen.

Hij was al maanden ziek geweest: duizelig, misselijk, hoofdpijn en soms zo slap dat hij nauwelijks kon lopen. Artsen hadden geen duidelijke oorzaak gevonden. Henk was uiteindelijk gaan bijhouden wanneer zijn klachten het ergst waren en raakte ervan overtuigd dat er een patroon was: vooral nadat hij thuis had gegeten.

“Maar dat bewijst niets,” zei Nina.

“Dat zei ik ook. Tot hij vertelde wat hij gezien had.”

Op een avond was Henk onverwacht vroeg thuisgekomen. Caroline stond bij het fornuis en had niet gemerkt dat hij binnenkwam. Hij zag hoe ze wit poeder uit een klein glazen potje over zijn eten strooide. Alleen over zijn bord, niet over haar eigen eten.

Henk confronteerde haar niet. In plaats daarvan begon hij haar te observeren en zag hij hetzelfde nog twee keer gebeuren. Uiteindelijk vond hij het potje achter schoonmaakmiddelen in een kast en nam het mee.

Die avond zat Nina voor het eerst tegenover Henk in het achterhuisje. Hij was 67, keurig gekleed en totaal anders dan de verwarde man die ze zich had voorgesteld. Hij haalde het glazen potje uit een plastic zak en zette het op tafel.

“Waarom heeft u dit nooit laten onderzoeken?” vroeg Nina.

“Omdat ik eerst zeker wilde weten dat ik niet gek was.”

“En daarom verdween u drie maanden?”

Henk keek naar het potje. “Niet alleen daarom. De avond voordat ik vertrok, hoorde ik Caroline met onze zoon praten.”

Hij had niet het hele gesprek verstaan, maar één zin wel.

“Caroline zei: ‘Nog even. Daarna is alles van ons.'”

Nina voelde een rilling over haar armen. “En uw zoon?”

“Die zei dat ze moest oppassen. Daarna hoorde ik Caroline zeggen: ‘Hij merkt toch niets.'”

Dat was voor Henk genoeg geweest. De volgende ochtend vertrok hij.

Nina begreep zijn angst, maar niet waarom hij drie maanden niets had gedaan. Ze overtuigde hem ervan dat ze in ieder geval moesten laten onderzoeken wat er in het potje zat. Via Ria’s huisarts kwam het uiteindelijk bij een laboratorium terecht.

Vier dagen later kwam de uitslag.

Het witte poeder bevatte inderdaad een geneesmiddel. Toen de huisarts de naam noemde, trok alle kleur uit Henks gezicht. Zijn moeder had hetzelfde middel vroeger gebruikt voor haar hart.

“Kan iemand die dit niet nodig heeft daar ziek van worden?” vroeg Nina.

“Dat kan,” antwoordde de huisarts. “Duizeligheid en misselijkheid zijn bijvoorbeeld mogelijk.”

Ria pakte Henks hand. “Dan had je dus gelijk.”

Maar de huisarts was nog niet klaar. De hoeveelheid werkzame stof in het potje was opvallend laag. Waarschijnlijk te laag om alle ernstige klachten te verklaren die Henk had beschreven.

Henk keek naar het potje alsof hij het voor het eerst zag. “Maar Caroline deed dit in mijn eten.”

“Dat kan ik niet beoordelen,” zei de huisarts.

Nina staarde naar het witte poeder en voelde dat er iets niet klopte. Als dit inderdaad in zijn eten had gezeten, maar niet genoeg was om hem zo ziek te maken, dan waren er eigenlijk maar twee mogelijkheden.

Of Henk had zich vergist.

Of dit was niet het enige wat hij had gekregen.

En ineens wist Nina niet meer welke mogelijkheid ze enger vond.