Deel 2
Eva wilde onmiddellijk weten wat er daarna met Noor was gebeurd, maar Els wist verrassend weinig. Na de melding op school waren instanties betrokken geraakt. Noors moeder had uiteindelijk besloten haar man te verlaten en was met haar dochter tijdelijk naar een opvanglocatie gegaan. Om veiligheidsredenen had zelfs school geen nieuw adres gekregen.
“En daarna?” vroeg Eva.
“Na een paar maanden kreeg ik één kaart.”
“Van Noor?”
“Van haar moeder. Ze schreef alleen dat het goed met ze ging.”
“Heb je die nog?”
Els dacht even na. “Misschien.”
Twee uur later zat Eva bij haar oude juf aan de keukentafel. Els kwam terug met een kartonnen doos vol oude foto’s, klassenlijsten en kerstkaarten van leerlingen die inmiddels zelf grijze haren hadden.
“Je hebt echt alles bewaard.”
“Ik was onderwijzeres. Weggooien zat niet in mijn opleiding.”
Na twintig minuten vonden ze de kaart.
Op de voorkant stond een foto van een vuurtoren. Achterop maar drie regels.
Beste Els, met ons gaat het goed. Noor zit op een nieuwe school en begint weer wat rustiger te slapen. Bedankt dat u geluisterd heeft. L.
Geen adres.
Geen achternaam.
Geen aanwijzing.
“Had haar moeder dezelfde achternaam als Noor?” vroeg Eva.
“Destijds wel.”
“En haar voornaam?”
“Liesbeth.”
Daar konden ze iets mee.
Thuis begon Eva te zoeken.
Ze vond honderden mensen. De achternaam bleek veel algemener dan ze zich herinnerde. Facebook, LinkedIn, oude telefoongidsen, zoekmachines — niets gaf zekerheid.
Toen probeerde ze Noors volledige naam.
Noor van Dalen.
Een fotograaf in Rotterdam.
Een tandartsassistente in Zwolle.
Een yogadocent in Utrecht.
Een vrouw uit Eindhoven met drie kinderen.
Eva bekeek profielen totdat ze zichzelf irritant begon te vinden.
Geen enkel gezicht voelde bekend.
Tenslotte zocht ze op beelden.
En toen zag ze haar.
Het was geen perfecte herkenning. De vrouw op de foto was bijna veertig, had korter haar en droeg een bril. Maar onder haar kin zat een klein wit litteken.
Eva klikte.
Noor van Dalen – illustrator
Website.
Rotterdam.
Ze maakte kinderboeken.
Eva bleef naar de foto kijken.
“Dat ben jij.”
Ze wist het gewoon.
Ze typte een bericht.
Wiste het.
Typte opnieuw.
Hoi Noor. Dit is misschien een heel vreemd bericht, maar volgens mij zaten wij samen op basisschool De Klimop. Ik ben Eva Jansen.
Ze durfde er niets meer achter te zetten.
Verzenden.
Daarna gebeurde er drie uur lang niets.
Om kwart voor elf ’s avonds verscheen een antwoord.
Eva? Van het blauwe bankje?
Eva voelde haar ogen onmiddellijk prikken.
Ja.
Noor typte.
Stopte.
Typte opnieuw.
Toen kwam er:
Ik heb me vaak afgevraagd of jij die brief ooit zou krijgen.
Ze belden diezelfde avond.
In het begin was het vreemd.
Twee volwassen vrouwen probeerden stemmen te herkennen die ze voor het laatst als kinderen hadden gehoord. Maar na tien minuten gebeurde er iets merkwaardigs. De manier waarop Noor lachte, kende Eva nog.
“Je lacht nog hetzelfde.”
“Dat zei jij vroeger ook altijd.”
“Serieus?”
“Je vond dat ik klonk als een zeehond.”
Eva begon te lachen. “Dat klinkt wel als iets wat ik zou zeggen.”
Daarna werd het gesprek moeilijker.
Eva vertelde dat ze zich lange tijd niets van het blauwe bankje had herinnerd.
Noor wel.
Alles.
Haar vader had thuis steeds vaker ruzie gemaakt. Eerst alleen schreeuwen. Later gooide hij dingen. Uiteindelijk sloeg hij haar moeder.
Noor wist dat.
Ze hoorde het ’s avonds vanuit haar slaapkamer.
Op een dag probeerde ze ertussen te komen en kreeg ze zelf een klap.
“Dat was die lip,” zei Eva.
“Ja.”
“En jij vertelde het mij.”
Noor knikte, al kon Eva dat natuurlijk niet zien. “Ik moest het aan iemand vertellen. Maar zodra ik het gedaan had, raakte ik in paniek.”
“En ik ging naar Els.”
“Ja.”
“Je was boos.”
“Ontzettend.”
Eva slikte. “Het spijt me.”
“Waarvoor?”
“Dat ik je geheim verteld heb.”
Noor bleef even stil.
“Eva, als jij dat niet had gedaan, weet ik niet hoe lang wij daar nog hadden gezeten.”
De melding van Eva had iets in beweging gezet. Els had met de schoolleiding gesproken, daarna met Noors moeder. Toen haar vader ontdekte dat er vragen werden gesteld, werd de situatie thuis erger.
Uiteindelijk vertrok haar moeder ’s nachts.
Twee tassen.
Een auto van iemand van de opvang.
Noor mocht niets meenemen wat haar vader zou kunnen traceren.
Zelfs geen adresboek.
“En ik dacht dat jij door mij weg moest.”
“Technisch gezien moesten we inderdaad weg doordat jij iets zei.”
Eva werd stil.
Noor vervolgde meteen: “Maar dat betekent niet dat je iets verkeerd deed.”
“Waarom schreef je dan dat je eerst boos was?”
“Omdat ik elf was. Mijn hele leven verdween van de ene op de andere dag. Mijn kamer, school, vrienden, alles. Natuurlijk was ik boos.”
“Op mij.”
“Op iedereen.”
Noor lachte zacht. “Zelfs op de mevrouw bij de opvang omdat ze cornflakes kocht die ik niet lekker vond.”
Noors vader had hen maanden gezocht.
Uiteindelijk kwam er een straatverbod. Later werd hij veroordeeld wegens mishandeling. Noor en haar moeder verhuisden nog twee keer voordat ze uiteindelijk in Rotterdam terechtkwamen.
“Heb je hem daarna ooit nog gezien?” vroeg Eva.
“Eén keer. Toen ik 24 was.”
“Hoe was dat?”
“Teleurstellend normaal.”
Dat antwoord bleef Eva bij.
“Ik had jarenlang een soort monster in mijn hoofd gemaakt. Toen zat daar ineens een oude man tegenover me die koffie dronk.”
“Heb je hem vergeven?”
“Nooit.”
“Was dat moeilijk?”
“Nee. Het moeilijkste was accepteren dat ik dat ook niet hoefde.”
Eva dacht daar even over na.
Ze praatten tot na middernacht.
Over school.
Over wie er met wie verkering had gehad.
Over meester De Jong die altijd naar pepermunt rook.
Over een meisje uit hun klas dat beweerde dat haar oom Michael Jackson kende.
En uiteindelijk over het blauwe bankje.
“Bestaat dat nog?” vroeg Noor.
Eva dacht aan de afscheidsdag.
“Ik weet het eigenlijk niet.”
“Volgens mij stond het achter de gymzaal.”
“Daar gaan ze volgende week slopen.”
Aan de andere kant bleef het stil.
“Wanneer?”
“Maandag.”
“Alles?”
“Ja.”
Noor zuchtte. “Gek.”
Eva kreeg ineens een idee.
“Kun je zaterdag?”
“Waarom?”
“Kom naar hier.”
“Eva…”
“Serieus.”
“Na achtentwintig jaar?”
“Juist daarom.”
Noor lachte. “Waar spreken we af?”
Eva wist het antwoord al.
“Bij het blauwe bankje.”
Zaterdag om twee uur stond Eva achter de oude gymzaal.
Het bankje was er nog.
De verf was nauwelijks meer blauw te noemen. Hout was verrot, één plank zat scheef en iemand had er met zwarte stift een telefoonnummer op geschreven.
Eva ging zitten.
Ze voelde zich absurd nerveus.
Om vijf over twee kwam er een vrouw om de hoek.
Donker haar.
Bril.
Klein litteken onder haar kin.
Noor bleef staan.
Eva ook.
“Je bent laat.”
Noor keek op haar telefoon. “Vijf minuten.”
“Vroeger was je ook altijd laat.”
“Dat weet jij helemaal niet meer.”
“Ik improviseer.”
Toen begonnen ze allebei te lachen.
De omhelzing kwam pas daarna.
Ze zaten bijna twee uur op het bankje.
Noor had iets meegenomen.
Een oude envelop.
“Niet weer een brief.”
“Wel.”
Ze gaf hem aan Eva.
Het papier was vergeeld.
Op de voorkant stond in kinderhandschrift:
Voor Noor als we later groot zijn.
Eva keek verbaasd op.
“Dit is mijn handschrift.”
“Ja.”
“Waar komt dit vandaan?”
“Jij gaf hem aan mij een week voordat we vertrokken.”
Eva herinnerde zich er niets van.
“Wat staat erin?”
“Lees.”
De brief was kort.
Lieve Noor,
als wij later oud zijn en je bent nog steeds boos op mij dan moet je naar het blauwe bankje komen. Dan maak ik het goed.
En als je niet meer boos bent mag je ook komen.
Daaronder had Eva getekend:
Eva, 11 jaar
Ze moest lachen en huilen tegelijk.
“Je hebt hem bewaard.”
“Achtentwintig jaar.”
“Waarom?”
Noor keek naar het bankje.
“Omdat ik altijd dacht dat ik op een dag misschien terug wilde.”
“Waarom heb je het nooit gedaan?”
Noor haalde haar schouders op. “Waarschijnlijk om dezelfde reden dat jij mij nooit gezocht hebt.”
“Het leven.”
“Het leven.”
Toen kwam er een medewerker van het sloopbedrijf langs.
“U weet dat het terrein over tien minuten dichtgaat?”
Eva knikte.
Ze keek naar het bankje.
“Wat gebeurt hiermee?”
De man keek ernaar. “Container waarschijnlijk.”
Noor keek onmiddellijk naar Eva.
Eva keek naar Noor.
“Nee.”
De man begon te lachen. “Willen jullie hem hebben?”
Tien minuten later stonden twee volwassen vrouwen te proberen een verrot blauw bankje door een hek te krijgen.
Het lukte niet.
Ze moesten de poten losschroeven.
Op de onderkant van één plank stonden oude letters gekrast.
E + N
Eva streek erover.
“Hebben wij dit gedaan?”
Noor keek.
“Ja.”
“Dat mocht vast niet.”
“Dat is ondertussen verjaard.”