De oude man bestelde iedere woensdag twee koppen koffie. Op een dag ging de serveerster tegenover hem zitten.

Iedere woensdag om precies half elf ging de deur van café De Linden open.

En iedere woensdag kwam dezelfde man binnen.

Lotte hoefde inmiddels niet eens meer te vragen wat hij wilde.

“Twee koffie,” zei hij toch.

“Zoals altijd?”

“Zoals altijd.”

Eén zwart.

Eén met een scheutje melk.

Geen suiker.

De oude man heette Herman.

Dat wist Lotte omdat hij een keer met zijn pinpas had betaald en zij zijn naam op het scherm had gezien.

Herman de Graaf.

Meer wist ze eigenlijk niet van hem.

Hij was ergens eind zeventig, schatte ze.

Altijd een donkergrijze jas.

Altijd een overhemd onder zijn trui.

En altijd dezelfde tafel.

Achterin het café.

Bij het raam.

Voor twee personen.


De eerste paar keer had Lotte gedacht dat hij op iemand wachtte.

Dat leek logisch.

Waarom zou je anders twee koffie bestellen?

Dus zette ze beide kopjes neer en liet ze hem met rust.

Maar niemand kwam.

Na ongeveer drie kwartier dronk Herman zijn laatste slok, legde geld op tafel en vertrok.

De zwarte koffie was leeg.

De koffie met melk stond er onaangeraakt naast.

De week erna gebeurde hetzelfde.

En de week daarna.

Na een maand kon collega Daan het niet meer laten.

“Misschien heeft hij een onzichtbare vriendin.”

Lotte keek hem aan.

“Of misschien bemoeien we ons gewoon niet met klanten.”

“Ik bemoei me niet. Ik observeer.”

“Dat heet roddelen als degene over wie je praat drie meter verderop zit.”

Daan keek naar Herman.

“Ik vind het gewoon zonde van die koffie.”

Lotte glimlachte.

“Dan is dat je grootste zorg vandaag.”

Maar eerlijk gezegd was ze zelf ook nieuwsgierig.


De maanden gingen voorbij.

Regen werd kou.

Kou werd lente.

Iedere woensdag:

Half elf.

Herman.

Twee koffie.

Nooit iemand tegenover hem.

Soms legde hij een krant naast het tweede kopje.

Soms keek hij vooral uit het raam.

Eén keer zag Lotte hem glimlachen terwijl hij naar de lege stoel keek.

Niet op een vreemde manier.

Meer alsof hij zich iets herinnerde.

Ze had die dag bijna gevraagd voor wie de koffie was.

Maar ze deed het niet.

Iedereen had recht op een hoekje van zijn leven dat niet door een nieuwsgierige serveerster werd opengetrokken.


Op een woensdag in april kwam Herman niet.

Lotte merkte het pas om kwart voor elf.

Ze stond glazen af te drogen en keek automatisch naar zijn tafel.

Leeg.

“Je vriend is er niet,” zei Daan.

“Mijn vriend?”

“De twee-koffie-man.”

“Misschien heeft hij een afspraak.”

Daan keek haar aan.

“Dat heeft hij iedere woensdag.”

Lotte negeerde hem.

Maar toen ze die middag de tafel schoonmaakte, voelde het vreemd dat er maar één stoel aangeschoven stond.

De volgende woensdag kwam Herman opnieuw niet.

Nu vond ze het minder grappig.

“Misschien is hij op vakantie,” zei Daan.

“Hij is bijna tachtig.”

“Oude mensen mogen ook naar Spanje.”

“Ik zeg toch niet dat dat niet mag?”

“Je kijkt alsof hij vermist is.”

“Ik kijk helemaal niet.”

Daan grijnsde.

“Je kijkt.”


De derde woensdag keek Lotte om half elf al naar de deur.

Niets.

Half twaalf.

Nog steeds niets.

Ze voelde zich belachelijk.

Ze kende de man nauwelijks.

Misschien woonde hij ergens anders.

Misschien zat hij tegenwoordig in een ander café.

Misschien was hij inderdaad naar Spanje.

Om tien voor twaalf rinkelde het belletje boven de deur.

Herman.

Lotte glimlachte automatisch.

“Daar bent u weer.”

Hij keek haar aan.

“Daar ben ik weer.”

Maar hij zag er anders uit.

Bleek.

Magerder misschien.

En toen hij zijn jas uittrok, zag Lotte dat zijn handen trilden.

“Alles goed?”

“Prima.”

Dat antwoord klonk als het soort “prima” waar meestal weinig prima aan was.

Hij liep naar zijn vaste tafel.

Langzamer dan normaal.

Lotte liep achter de bar.

“Een koffie?”

Herman keek haar aan.

“Twee.”

Natuurlijk.


Ze zette de zwarte koffie voor hem neer.

De tweede aan de overkant.

“Met melk, geen suiker.”

“Je hebt een goed geheugen.”

“U bestelt al maanden niets anders.”

Herman glimlachte.

“Dat scheelt fouten.”

Lotte wilde weglopen.

“Mevrouw?”

Ze draaide zich om.

“Lotte.”

“Wat?”

“Mijn naam. Lotte.”

Herman knikte.

“Lotte. Dank je.”

“Waarvoor?”

“De koffie.”

Ze glimlachte.

“Graag gedaan.”


Twintig minuten later stond het tweede kopje nog steeds onaangeraakt.

Lotte zag dat Herman nauwelijks uit het raam keek.

Hij zat voorovergebogen.

Beide handen om zijn eigen kop.

Ze aarzelde.

Toen pakte ze een doekje en liep naar de tafel naast hem.

Onnodig.

Die was al schoon.

“U was er twee weken niet.”

Herman keek op.

“Dat is je opgevallen?”

“U bent nogal voorspelbaar.”

“Dat klinkt niet als een compliment.”

“Dat bedoel ik wel zo.”

Heel even zag ze weer die kleine glimlach.

“Ik lag in het ziekenhuis.”

Lotte stopte met poetsen.

“O.”

“Daar kijken mensen altijd van alsof ik iets vreselijks heb gezegd.”

“Nou, ziekenhuis klinkt meestal niet als vakantie.”

“Dat was het ook niet.”

“Is alles weer goed?”

Herman keek naar zijn handen.

“Goed genoeg.”

Meer zei hij niet.

Lotte besloot niet verder te vragen.


Ze wilde teruglopen naar de bar.

Toen zag ze opnieuw de tweede koffie.

“Mag ik iets vragen?”

“Dat doe je al.”

“Dat is waar.”

Herman keek haar afwachtend aan.

Lotte wees naar het kopje.

“Voor wie is die eigenlijk?”

Herman volgde haar blik.

“Die koffie?”

“Ja.”

Een paar seconden zei hij niets.

“Voor iemand.”

Lotte trok een mondhoek op.

“Dat gedeelte had ik al bedacht.”

Herman keek naar de stoel tegenover zich.

Zijn gezicht veranderde.

Niet dramatisch.

Maar de glimlach verdween.

“Sorry,” zei Lotte meteen. “Ik hoef het niet te weten.”

“Geeft niet.”

“Ik ben gewoon nieuwsgierig.”

“Dat hoort waarschijnlijk bij je leeftijd.”

“Ik ben 27.”

“Precies.”

Lotte lachte.

Herman niet.


Een paar minuten later kwam er een groep binnen.

Vier mensen.

Lotte hielp ze.

Nam bestellingen op.

Maakte cappuccino’s.

Toen ze opnieuw naar Herman keek, zat hij nog steeds aan dezelfde tafel.

De zwarte koffie was bijna op.

De andere werd koud.

Het café was inmiddels rustig.

Daan stond achterin dozen uit te pakken.

Lotte keek naar de lege stoel.

Toen deed ze iets wat ze nog nooit had gedaan.

Ze liep naar Herman toe.

“Vindt u het erg als ik even ga zitten?”

Hij keek verbaasd op.

“Hier?”

“Ja.”

“Waarom?”

“U ziet eruit alsof u vandaag niet alleen zou moeten zitten.”

Zodra ze het zei, kreeg ze spijt.

Veel te persoonlijk.

Herman keek naar haar.

Toen naar de stoel.

“Eigenlijk wel.”

Lotte voelde haar wangen warm worden.

“Sorry.”

Ze zette meteen een stap achteruit.

“Ik wilde niet—”

“Niet daarom.”

Ze stopte.

Herman legde zijn hand op de rugleuning van de lege stoel.

“Ik vind je gezelschap vast prima.”

“Maar?”

“Deze stoel is van iemand anders.”

Lotte keek naar de lege plek.

“Komt ze nog?”

Herman keek haar aan.

“Hoe weet je dat het een vrouw is?”

“De melk.”

Voor het eerst die ochtend lachte hij echt.

“Goede observatie.”

“Mijn collega zegt dat dat bij mijn werk hoort.”

Herman knikte.

“Mijn dochter drinkt haar koffie zo.”

Lotte keek opnieuw naar de stoel.

“Uw dochter.”

“Marieke.”

“Komt ze straks?”

Zijn glimlach verdween.

“Dat weet ik niet.”

“Had u afgesproken?”

“Niet precies.”

Lotte begreep er steeds minder van.

“Dan wacht u op haar?”

“Ja.”

“Vandaag?”

Herman streek met zijn duim langs zijn kopje.

“Vandaag ook.”

Lotte wilde eigenlijk terug naar de bar.

Maar er zat iets in de manier waarop hij het zei.

“Ook?”

Herman keek naar het koude kopje tegenover hem.

“Woensdag was vroeger onze ochtend.”

“Van u en uw dochter?”

Hij knikte.

“Jarenlang.”

“En nu niet meer?”

“Nee.”

Lotte ging zonder het te beseffen op de stoel naast hem zitten.

Niet tegenover hem.

Naast hem.

“Woont ze ver weg?”

“Nee.”

“Werkt ze op woensdag?”

“Geen idee.”

“U spreekt haar niet?”

Herman schudde zijn hoofd.

Lotte zweeg.

Na een tijdje vroeg ze:

“Hoe lang al niet?”

Herman keek uit het raam.

Buiten fietste een vrouw voorbij met een kind achterop.

Hij wachtte tot ze verdwenen waren.

Toen zei hij:

“Zestien jaar.”

Lotte dacht dat ze hem verkeerd had verstaan.

“Zestien?”

“Ja.”

“En u zet al zestien jaar iedere woensdag koffie voor haar neer?”

“Nee.”

Herman draaide langzaam het lege kopje tussen zijn handen.

“Dit doe ik pas zeven jaar.”

“Waarom zeven?”

“Omdat ik haar toen één laatste brief heb gestuurd.”

Lotte voelde dat ze eigenlijk niet verder moest vragen.

Ze deed het toch.

“Wat stond erin?”

Herman keek naar de lege stoel tegenover zich.

“Dat ik iedere woensdag om half elf hier zit.”

Zijn stem werd zachter.

“En dat als ze ooit weer met me wil praten, ze niets hoeft uit te leggen.”

Hij knikte naar het onaangeraakte kopje.

“Ze hoeft alleen maar te gaan zitten.”

Lotte keek naar de koffie.

De melk vormde inmiddels een dun velletje aan de bovenkant.

“En ze is nooit gekomen?”

Herman schudde zijn hoofd.

“Nog niet.”

Dat laatste woord bleef hangen.

Niet:

Nee.

Maar:

Nog niet.

Lotte keek hem aan.

“Wat is er tussen jullie gebeurd?”

Herman ademde langzaam uit.

“Ik heb iets tegen haar gezegd.”

“Wat?”

“Het soort zin waarvan je denkt dat hij maar tien seconden duurt.”

Hij slikte.

“Tot je ontdekt dat je er de rest van je leven in kunt blijven wonen.”

Lotte zei niets.

Herman keek opnieuw naar de lege stoel.

“Ze wilde naar Australië verhuizen.”

“En u wilde dat niet.”

“Mijn vrouw was een paar maanden daarvoor overleden.”

Lotte begreep het.

“U wilde uw dochter niet ook kwijt.”

“Dat dacht ik.”

“Wat zei u tegen haar?”

Herman sloot even zijn ogen.

Toen keek hij Lotte aan.

“Ik zei: als je nu weggaat, hoef je van mij niet meer terug te komen.”

Lotte voelde haar maag samentrekken.

“En toen ging ze.”

“Ja.”

“En kwam ze niet terug.”

“Nee.”

Hij pakte zijn jas van de stoel naast hem.

Lotte stond op.

Herman legde geld op tafel.

Voor twee koffie.

Zoals iedere woensdag.

Bij de deur draaide hij zich nog één keer om.

“Volgende week.”

Lotte glimlachte.

“Half elf.”

“Precies.”

Hij vertrok.

Lotte bleef achter bij de tafel.

Ze pakte het onaangeraakte kopje.

Koud.

Ze wilde het leeggooien.

Maar om de een of andere reden bleef ze ermee in haar hand staan.

Zestien jaar.

Ze probeerde zich zestien jaar voor te stellen.

Toen kwam Daan naast haar staan.

“Nou?”

“Wat?”

“Voor wie is de koffie?”

Lotte keek door het raam naar Herman, die langzaam de straat overstak.

“Zijn dochter.”

“Waar is zij dan?”

Lotte zette het kopje op de bar.

“Dat is precies het probleem.”