Iedere werkdag om 07.38 uur stapte Fatima op bus 12. Ze hoefde nooit op haar telefoon te kijken om te weten of ze op tijd was. Als de vrouw met de rode tas al op het bankje zat, had ze nog ongeveer drie minuten. Was het bankje leeg, dan was Fatima vroeg.
Ze kende de vrouw niet. Ze wist niet hoe ze heette, waar ze woonde of waar ze iedere ochtend naartoe ging. Toch wist ze na drie jaar allerlei kleine dingen over haar. Ze droeg vrijwel altijd een lange donkere jas, ook wanneer het niet bijzonder koud was. Op dinsdag had ze vaak bloemen bij zich. Als het regende, gebruikte ze nooit een paraplu maar zette ze een donkerblauwe muts op. En iedere ochtend zat naast haar dezelfde opvallende rode leren tas.
De vrouw moest ergens in de zeventig zijn. Soms stapte ze in bus 12, maar meestal niet. Dat was het vreemde. Ze kwam rond halfacht naar de halte, zat daar twintig of dertig minuten en liep daarna weer weg.
Fatima had zich vaak afgevraagd waarom.
“Misschien vindt ze bussen gewoon leuk,” zei haar man Karim toen ze het een keer vertelde.
“Wie vindt bussen nou leuk?”
“Buschauffeurs?”
“Volgens mij zelfs die niet.”
Daarmee was het onderwerp thuis meestal klaar. Toch werd de onbekende vrouw onderdeel van Fatima’s ochtend. Soms knikten ze naar elkaar. Eén keer, tijdens een sneeuwbui, had de vrouw gezegd: “Voorzichtig, het is glad.” Fatima had “Dank u” geantwoord.
Dat was in drie jaar tijd hun langste gesprek.
Tot die maandag in maart.
Fatima liep zoals altijd de hoek om en zag de bushalte. Het bankje was niet leeg.
De rode tas stond erop.
Maar de vrouw was nergens te zien.
Fatima vertraagde haar pas. Misschien stond ze achter het bushokje. Misschien was ze even naar de bakker verderop. Toch voelde het vreemd dat iemand zo’n tas onbeheerd liet staan.
Ze wachtte.
07.36.
07.38.
Bus 12 kwam aan.
Fatima stapte niet in.
“Ga je niet mee?” vroeg de chauffeur, die haar inmiddels ook kende.
“De volgende.”
De deuren sloten.
Fatima keek opnieuw naar de tas. Ze wilde er niet aankomen, maar na tien minuten begon ze zich zorgen te maken. De vrouw kwam niet terug.
Ze liep naar de bakker.
“Sorry, heeft u toevallig een oudere mevrouw gezien? Donkere jas, grijs haar?”
“Dat zijn er hier nogal wat.”
“Ze heeft altijd een rode tas.”
De bakker dacht even na. “Die mevrouw van de bushalte?”
“Ja.”
“Niet vandaag.”
Fatima liep terug.
De tas stond er nog.
Ze belde de politie via het algemene nummer en legde uit wat er aan de hand was. De medewerker vroeg of er iets verdachts aan de tas was.
“Nee. Ik maak me meer zorgen om de eigenaar.”
“U kent haar?”
“Nee.”
“Maar u weet dat de tas van haar is?”
“Ik zie haar al drie jaar bijna iedere ochtend.”
Uiteindelijk werd afgesproken dat handhaving zou komen kijken. Fatima stuurde haar leidinggevende een bericht dat ze later was en bleef wachten.
Om kwart over acht stopte een auto naast de halte. Twee handhavers stapten uit. Een van hen opende voorzichtig de tas.
Bovenop lag een portemonnee.
Daaronder een flesje water, zakdoekjes, een boek en een klein blauw etui. In de portemonnee zat een identiteitskaart.
Elisabeth Johanna Meijer. Geboren 17 augustus 1948.
“Mevrouw Meijer dus,” zei Fatima zacht.
Voor het eerst had de vrouw een naam.
Er zat ook een kaartje in met een telefoonnummer voor noodgevallen. Een van de handhavers belde.
Na minder dan een minuut veranderde zijn gezicht.
“Wanneer?”
Hij luisterde.
“Begrijp ik. Dank u.”
Hij hing op.
“Is er iets?” vroeg Fatima.
“Dat was haar dochter.”
“En?”
“Mevrouw Meijer ligt sinds vannacht in het ziekenhuis.”
Fatima voelde onmiddellijk opluchting en bezorgdheid tegelijk. “Wat is er gebeurd?”
“Ze is thuis gevallen. Haar dochter heeft haar vanmorgen gevonden.”
Fatima keek naar de tas.
“Maar hoe komt die dan hier?”
De handhaver fronste. “Volgens haar dochter kan dat eigenlijk niet.”
“Waarom niet?”
“Ze zegt dat haar moeder sinds gisterenavond niet meer buiten is geweest.”
Fatima keek naar het rode leer.
“Maar deze tas stond hier om halfacht.”
“Misschien heeft ze hem gisteren laten staan.”
“Nee.”
“Hoe weet u dat?”
“Omdat ik hier vrijdag nog met haar zat. Toen had ze hem mee.”
“Het is maandag.”
Fatima zweeg.
Natuurlijk.
Er zat een heel weekend tussen.
Misschien was de vrouw zaterdag of zondag naar de halte geweest.
De handhaver nam de tas mee naar de dochter. Fatima pakte uiteindelijk bus 12 en kwam bijna anderhalf uur te laat op haar werk.
Daarmee leek het klaar.
Tot haar telefoon die middag ging.
Een onbekend nummer.
“Met Fatima.”
“Goedemiddag. Spreek ik met de mevrouw die vanmorgen de tas van mijn moeder heeft gevonden?”
“Ja.”
“Ik ben Judith. De dochter van Elisabeth.”
“Hoe gaat het met haar?”
“Ze heeft haar heup gebroken, maar verder gaat het naar omstandigheden goed.”
“Gelukkig.”
“Mag ik u iets vragen?”
“Natuurlijk.”
“Waar stond de tas precies?”
“Op haar vaste bankje.”
“Vaste bankje?”
“Bij de halte.”
Judith zweeg.
“Mijn moeder neemt al jaren geen bus meer.”
“Dat weet ik. Ze zit er vooral.”
Weer stilte.
“Hoe vaak?”
“Bijna iedere ochtend.”
“Hoe lang al?”
“Minstens drie jaar. Sinds ik hier woon.”
Judith zei een tijdje niets.
“Dat wist ik niet.”
Fatima wist niet goed wat ze daarop moest antwoorden.
Toen vroeg Judith: “Zat er een boek in?”
“Ja.”
“Een groen boek?”
“Ik dacht donkerblauw.”
“Mag ik u misschien iets vreemds vragen?”
“Ja?”
“Hebt u het opengeslagen?”
“Nee.”
Judith ademde hoorbaar uit. “Mooi.”
Dat vond Fatima een merkwaardige reactie.
“Waarom?”
“Niets. Het is persoonlijk.”
Ze praatten nog kort en hingen op.
De volgende ochtend was het bankje leeg.
Fatima had verwacht dat dat prettig zou voelen. Ze wist nu immers waarom Elisabeth er niet zat.
Maar het voelde verkeerd.
Woensdag hetzelfde.
Donderdag ook.
Op vrijdag zat er iemand anders.
Een jongen met een koptelefoon.
Fatima betrapte zichzelf erop dat ze bijna geïrriteerd was dat hij op Elisabeths plek zat.
Twee weken later stond Judith ineens bij de halte. Fatima herkende haar omdat ze dezelfde ogen had als haar moeder.
“Fatima?”
“Ja?”
“Ik hoopte al dat ik u zou treffen.”
Judith hield de rode tas vast.
“Mijn moeder komt waarschijnlijk volgende week uit het ziekenhuis. Daarna moet ze revalideren.”
“Doe haar de groeten.”
“Dat zal ik doen.”
Judith aarzelde. “Eigenlijk wilde ik u iets geven.”
Ze haalde het boek uit de tas.
Donkerblauw inderdaad.
“Dit was van mijn moeder.”
Fatima nam het niet aan. “Waarom geeft u dat aan mij?”
“Omdat uw naam erin staat.”
Fatima lachte verbaasd. “Dat kan niet.”
“Dat dacht ik ook.”
Judith sloeg het boek open.
Het bleek helemaal geen leesboek.
Het was een schrift.
Op de eerste bladzijde stond een datum van bijna drie jaar geleden.
Daaronder:
De vrouw van 07.38 was er vandaag weer. Rode sjaal. Ze keek moe.
Fatima voelde haar glimlach verdwijnen.
Judith bladerde verder.
Dinsdag. De vrouw van 07.38 had haast. Ze vergat haar handschoenen bijna.
Een paar pagina’s later:
Ze heet Fatima. Dat hoorde ik de chauffeur zeggen.
Fatima keek op.
“Waarom schreef uw moeder over mij?”
“Ik weet het niet.”
“Drie jaar lang?”
Judith knikte.
“Niet alleen over u. Over meer mensen die hier langskwamen. Maar vooral over u.”
Fatima bladerde door het schrift. Soms stond er dagenlang niets over haar. Dan weer een korte regel.
Fatima lachte vandaag hard om iets op haar telefoon. Fijn om te zien.
Fatima huilde bij de halte. Ik wilde vragen of het ging, maar misschien wil ze dat niet.
Fatima wist meteen welke dag dat geweest moest zijn. De ochtend nadat haar beste vriendin had verteld dat haar borstkanker was teruggekeerd.
Ze sloot het schrift.
“Dit voelt alsof ik iets lees wat niet voor mij bedoeld is.”
“Wacht.”
Judith bladerde naar achteren.
“Dit wel.”
Op een van de laatste pagina’s stond:
Als ik ooit niet meer naar de halte kan, hoop ik dat iemand Fatima vertelt waarom ik daar zat.
Fatima keek naar Judith.
“Waarom zat ze daar?”
Judith slikte.
“Daar probeer ik dus achter te komen.”
Ze bladerde nog één pagina verder.
Daar stond maar één regel.
Morgen vertel ik het haar. Het is tijd.
De datum was zondagavond.
De avond voordat Elisabeth viel.
Fatima keek naar de rode tas.
“Ze wilde mij maandag iets vertellen?”
“Blijkbaar.”
“Wat?”
Judith haalde een envelop uit het achtervak van de tas.
Op de voorkant stond één woord.
Fatima.