Deel 2
Marije wachtte niet tot ’s avonds.
Jeroen stond nog boven zijn tanden te poetsen toen ze de badkamer binnenliep.
“Wie is Lotte?”
Hij draaide zich om.
“Fenna heeft het verteld.”
Jeroen sloot zijn ogen.
“Hoeveel kinderen zitten er nog in dit verhaal waar ik niets van weet?”
“Ze is tien.”
“Van wie is ze?”
“Hanneke.”
Marije staarde hem aan.
“Je moeder heeft een dochter van tien?”
“Niet haar dochter.”
“Jeroen.”
“Het is ingewikkeld.”
“Dat woord mag je vandaag niet meer gebruiken.”
Lotte bleek het kind van Jeroens halfzus te zijn.
Ook dat was nieuws.
Hanneke had in Canada later nog een dochter gekregen: Maaike. Zij was nu 39.
“Dus jij hebt een halfzus.”
“Ja.”
“Die je mij ook nooit genoemd hebt.”
“Ik ken haar nauwelijks.”
“En haar dochter woont bij Hanneke?”
Jeroen knikte.
“Waarom?”
“Maaike zit in een kliniek.”
“Waarvoor?”
“Verslaving.”
Marije ging op de rand van het bad zitten.
Plotseling voelde het minder als een familiegeheim en meer als een compleet parallel leven.
“Hanneke zorgt voor haar kleindochter?”
“Al bijna twee jaar.”
“En Fenna heeft Lotte ontmoet.”
“Ja.”
“Vijf keer?”
“Ongeveer.”
“Waarom tekent ze haar zwart?”
“Dat weet ik niet.”
Dat bleek Jeroen werkelijk niet te weten.
Marije besloot dat ze Hanneke wilde ontmoeten.
Niet uit nieuwsgierigheid, hield ze zichzelf voor.
Voor Fenna.
Dat was maar gedeeltelijk waar.
Twee dagen later reden zij en Jeroen naar het gele huis. Fenna wilde mee, maar Marije vond dat de volwassenen eerst iets moesten uitpraten zonder een kind als tolk.
Het huis zag er exact uit zoals op de tekeningen.
Gele baksteen.
Rode voordeur.
Grote boom.
Drie ramen boven.
Marije keek automatisch naar het meest rechtse raam.
Leeg.
Hanneke deed open.
Ze was 64 en leek onmiddellijk op Jeroen. Dezelfde neus, dezelfde manier waarop haar ene mondhoek iets omhoogging voordat ze glimlachte.
“Marije.”
“Hanneke.”
“Ik had gewild dat we elkaar anders hadden ontmoet.”
“Ik ook.”
Dat was voorlopig voldoende beleefdheid.
Binnen hingen tekeningen van Fenna aan de muur.
Dat deed onverwacht pijn.
Een deel van haar dochters leven had hier plaatsgevonden zonder dat zij daarvan wist.
Hanneke zag waar ze naar keek.
“Ik heb Jeroen meerdere keren gezegd dat hij het jou moest vertellen.”
“Maar je liet hem Fenna wel meenemen.”
“Dat had ik niet moeten doen.”
“Nee.”
“Ik was bang dat als ik nee zei, ik haar nooit meer zou zien.”
Marije keek haar aan.
“Dat klinkt behoorlijk egoïstisch.”
“Dat was het ook.”
Ze zei het zonder verdediging.
Dat hielp een beetje.
Toen kwam Lotte thuis.
Een mager meisje met lang donker haar en een veel te grote rugzak.
Ze stopte toen ze de onbekende vrouw aan tafel zag.
“Dit is Marije,” zei Hanneke.
Lotte keek naar Jeroen.
“Fenna’s mama?”
“Ja.”
“Is Fenna er ook?”
“Vandaag niet.”
De teleurstelling was zichtbaar.
Marije keek naar haar. “Jullie zijn vriendinnen?”
Lotte knikte.
“Ze zegt nichtjes.”
“Dat zijn jullie ook.”
Het meisje glimlachte voorzichtig.
Daarna liep ze naar boven.
Naar het rechterraam.
“Waarom tekent Fenna haar steeds daar?” vroeg Marije.
Hanneke werd stil.
“Ze wacht.”
“Waarop?”
“Op haar moeder.”
Maaike had Lotte beloofd dat ze iedere zaterdag zou bellen. Wanneer de telefoon ging, zat Lotte meestal boven bij het raam omdat ze daar rustig kon praten.
“Maar de laatste tijd belt Maaike nauwelijks.”
“Waarom niet?”
“Ze is opnieuw teruggevallen.”
Marije sloot haar ogen.
“En Lotte weet dat?”
“Niet alles.”
“Wat denkt ze?”
“Dat haar moeder ziek is.”
“Dat is ze ook.”
“Ja.”
Toen begreep Marije de zwarte figuur op Fenna’s tekening nog niet.
Tot Hanneke vertelde wat er twee weken eerder was gebeurd.
Lotte had uren bij het raam gezeten.
Maaike had beloofd te komen.
Voor het eerst in maanden.
Ze kwam niet.
Lotte bleef wachten tot het donker werd.
Fenna was die middag bij Hanneke geweest.
“Ze tekenden samen.”
“En daarna?”
“Lotte pakte een zwarte stift en kleurde zichzelf op Fenna’s tekening helemaal in.”
“Waarom?”
“Ze zei: ‘Dan ziet mama me misschien wel als ik heel donker ben.'”
Marije voelde haar keel dichtknijpen.
“En Fenna onthield dat.”
“Blijkbaar.”
Die avond praatten Marije en Jeroen uren.
Voor het eerst niet alleen over Hanneke.
Over geheimen.
Over waarom Jeroen altijd dacht dat moeilijke dingen makkelijker werden als hij ze uitstelde.
“Dat heb ik geleerd,” zei hij.
“Van wie?”
“Van iedereen.”
Daar zat waarschijnlijk meer waarheid in dan hij bedoelde.
Zijn hele jeugd was gebouwd op volwassenen die besloten hadden dat een kind beter af was als hij niet wist wie zijn moeder was.
Nu had hij bijna hetzelfde gedaan met zijn eigen dochter.
“Dit stopt hier,” zei Marije.
Jeroen knikte.
“Geen geheimen die een kind moet bewaren voor een ouder.”
“Nee.”
“Ook geen ‘nog even tussen ons’.”
“Nee.”
“En Fenna gaat niet meer ergens heen zonder dat ik weet waar.”
“Dat snap ik.”
Marije keek hem aan. “Ik ben nog steeds heel boos.”
“Dat snap ik ook.”
“Stop met alles snappen.”
Voor het eerst die week moesten ze allebei lachen.
Fenna mocht Hanneke blijven zien.
Maar niet stiekem.
De eerste keer gingen ze met z’n vieren.
Marije, Jeroen, Fenna en Luuk.
Luuk was vooral enthousiast omdat Hanneke pannenkoeken had beloofd.
Lotte zat al klaar met stiften en papier.
“Zullen we tekenen?” vroeg Fenna.
“Ja.”
Dit keer tekenden ze geen geel huis.
Ze tekenden een dierentuin waarin iedere giraf paars was en een olifant rolschaatsen droeg.
Marije keek toe vanuit de keuken.
“Ze lijken elkaar echt leuk te vinden.”
Hanneke knikte.
“Dat doen ze.”
“Dat maakt het niet makkelijker.”
“Nee.”
“Maar misschien wel de moeite waard.”
Hanneke keek haar aan.
“Dat hoop ik.”
Twee weken later ging het opnieuw mis.
Maaike was uit de kliniek vertrokken.
Niemand wist waarheen.
Hanneke kreeg ’s avonds een telefoontje.
Lotte hoorde genoeg om te begrijpen dat er iets aan de hand was.
Ze sloot zich op in haar slaapkamer.
Fenna was op dat moment toevallig op bezoek.
Toen Hanneke boven kwam, zaten de twee meisjes samen bij het raam.
Lotte huilde.
Fenna hield haar hand vast.
“Ik wil naar mama,” zei Lotte.
Hanneke ging naast haar zitten.
“Dat kan nu niet.”
“Waarom niet?”
“Ze is ziek.”
“Dat zeg je altijd.”
“Ik weet het.”
“Misschien wil ze gewoon niet bij mij zijn.”
Hanneke antwoordde meteen. “Dat is niet waar.”
“Hoe weet jij dat?”
Daar had ze geen eenvoudig antwoord op.
Toen zei Fenna ineens:
“Mijn papa heeft zijn mama ook heel lang niet gezien.”
Iedereen keek naar haar.
“Maar dat was niet omdat oma Hanneke hem niet leuk vond.”
Jeroen, die net boven kwam, verstijfde in de deuropening.
Fenna keek naar Lotte.
“Grote mensen doen soms heel raar.”
Hanneke sloeg een hand voor haar mond om niet te lachen.
Zelfs Lotte glimlachte door haar tranen heen.
“Dat is waar,” zei Jeroen.
“Zie je wel.”
Diezelfde nacht werd Maaike gevonden.
Niet gewond.
Niet dood.
Ze had bij een oude vriendin geslapen.
De volgende ochtend ging ze vrijwillig terug naar de kliniek.
Maar dit keer wilde Lotte haar niet bellen.
“Dat hoeft ook niet,” zei Hanneke.
“Is ze dan boos?”
“Misschien.”
“Mag dat?”
“Ja.”
Dat was iets wat Lotte blijkbaar nog moest leren.
Dat je van iemand kon houden en toch boos op diegene kon zijn.
Dat een kind een ouder niet hoefde te redden.