Op haar zeventiende wachtte ze iedere vrijdag op hem bij het station. Toen hij op een avond niet kwam, hoorde ze nooit meer iets van hem — tot ze 43 jaar later een envelop vond met haar naam erop.

Toen haar moeder overleed, wist Ellen dat het huis verkocht moest worden.

Ze had het maanden voor zich uitgeschoven. Eerst omdat er zoveel geregeld moest worden, daarna omdat ze zichzelf wijsmaakte dat het geen haast had. Haar moeder had bijna zevenenvijftig jaar in hetzelfde rijtjeshuis gewoond. Iedere kast zat vol, op zolder stonden dozen die waarschijnlijk sinds de jaren tachtig niet meer waren aangeraakt en in het schuurtje hingen zelfs nog de tuingereedschappen van haar vader, die al twaalf jaar dood was.

Maar op een regenachtige zaterdag in oktober kon Ellen er niet langer omheen.

Ze zette de achterdeur open, maakte koffie in het oude bruine koffiezetapparaat van haar moeder en begon in de woonkamer.

Fotoalbums naar haar huis.

Servies naar de kringloop.

Papieren bij het oud papier.

Ze probeerde er niet te veel bij na te denken.

Tot ze in het dressoir een klein houten kistje vond.

Ellen herkende het onmiddellijk.

“Dat meen je niet.”

Het was het naaikistje van haar moeder. Donker hout, een messing sluitinkje en aan de binnenkant een roodfluwelen vakje voor spelden. Als kind had Ellen er nooit aan mogen komen.

Daar zitten scherpe dingen in.

Zelfs toen Ellen allang volwassen was, stond het kistje nog altijd op dezelfde plek.

Ze zette het op tafel en klapte het open.

Garen. Knopen. Een meetlint. Twee doosjes spelden.

Niets bijzonders.

Ze wilde het alweer sluiten toen ze zag dat het rode lapje op de bodem aan één kant omhoogstond.

Ellen trok eraan.

Onder de stoffen bodem zat een smal vak.

Daarin lag één envelop.

Vergeeld.

Dichtgeplakt.

En op de voorkant stond in blauwe inkt:

Voor Ellen.

Ze bleef staan met de envelop in haar hand.

Het handschrift kende ze niet.

Of misschien toch wel.

Ze ging zitten.

Rechtsboven zat een postzegel. Over de postzegel liep een vaag stempel, maar de datum was nog leesbaar.

17 november 1983.

Ellen voelde iets in haar buik samentrekken.

Ze was toen zeventien.

Ze draaide de envelop om.

Op de achterkant stond maar één naam.

Robert.

Ze las hem nog een keer.

Robert.

Alsof iemand een deur opende naar een kamer waar ze drieënveertig jaar niet meer binnen was geweest.

Ze zag een spijkerjasje.

Donker haar dat altijd te lang over zijn voorhoofd viel.

Een rode brommer die meestal pas na drie keer starten aansloeg.

En perron twee van het kleine station in hun dorp.

Iedere vrijdagavond om kwart over zeven.

Daar ontmoetten ze elkaar.

Haar ouders mochten niet weten dat ze verkering had. Vooral haar vader niet. Robert was achttien, werkte bij een garage en kwam volgens haar vader uit “een gezin waar altijd gedoe was”.

Ellen had nooit precies geweten wat hij daarmee bedoelde.

Het kon haar ook niets schelen.

Robert liet haar lachen.

Hij rook naar motorolie en pepermunt.

Hij spaarde geld omdat hij ooit naar Frankrijk wilde rijden en had haar beloofd dat ze mee mocht.

“Met die brommer zeker?” had Ellen gevraagd.

“Dan zijn we drie weken onderweg.”

“Mooi toch?”

Ze waren negen maanden samen geweest.

Tot die vrijdag in november.

Ellen had zoals altijd bij het station gewacht.

Kwart over zeven.

Halfacht.

Kwart voor acht.

Het begon te regenen.

Om acht uur ging ze naar huis.

De volgende dag fietste ze langs zijn huis.

De gordijnen waren dicht.

Op zondag opnieuw.

Niemand deed open.

Maandagochtend hoorde ze op school dat Roberts familie was vertrokken.

Zomaar.

Zijn vader zou problemen hebben gehad. Geld, dacht men. Of schulden. Niemand wist het precies.

Robert had geen afscheid genomen.

Geen brief gestuurd.

Niet gebeld.

Niets.

Ellen had wekenlang iedere middag naar de brievenbus gelopen zodra ze de postbode hoorde.

Daarna maandenlang.

Op haar achttiende verjaardag keek ze nog één keer.

Toen stopte ze ermee.

Jaren later ontmoette ze Peter. Ze trouwden, kregen twee kinderen en bouwden een goed leven op. Robert werd iets uit een ander bestaan. Een jongen van achttien die steeds vager werd naarmate zij ouder werd.

Maar helemaal vergeten had ze hem nooit.

En nu hield ze een brief van hem vast.

Een brief die in 1983 was verstuurd.

Ellen keek naar het naaikistje van haar moeder.

Toen naar de envelop.

Haar vingers trilden toen ze voorzichtig de rand openscheurde.

Binnenin zat één vel papier, twee keer dubbelgevouwen.

Ze vouwde het open.

Bovenaan stond:

Lieve Ellen,

Als je dit leest, weet je waarschijnlijk al dat we weg zijn.

Ellen slikte.

Ze las verder.

Ik mocht je niet bellen. Mijn vader zegt dat we vannacht vertrekken en dat niemand mag weten waarheen. Ik weet niet wanneer ik terugkom.

Maar ik wil niet dat je denkt dat ik zomaar ben weggegaan.

Ellen legde de brief even neer.

Drieënveertig jaar.

Drieënveertig jaar had ze precies dát gedacht.

Ze pakte hem weer op.

Ik ben vrijdag wel naar het station gekomen.

Ellen fronste.

Nee.

Dat kon niet.

Ze was daar geweest.

Bijna drie kwartier.

Er was niemand geweest.

De volgende zin liet haar rechtop zitten.

Ik zag je staan vanaf de overkant.

Je vader stond naast me.

Ellen stopte met lezen.

Haar vader?

Ze keek automatisch naar de foto op het dressoir. Haar ouders op hun veertigste trouwdag. Haar vader met zijn hand op de schouder van haar moeder.

Ze las verder.

Hij zei dat ik niet naar je toe mocht gaan.

Hij zei dat hij ervoor zou zorgen dat je deze brief kreeg.

Ellen voelde haar hart bonzen.

Langzaam keek ze naar het houten naaikistje.

De brief had daar drieënveertig jaar gelegen.

In het huis van haar ouders.

Verborgen onder een stoffen bodem.

Ze las de laatste regels.

Ik weet niet of je op me wilt wachten. Dat kan ik je ook niet vragen.

Maar één ding wil ik dat je weet.

Ik ben niet weggegaan omdat ik niet meer van je hield.

Robert.

Ellen bleef minutenlang zitten.

Buiten tikte de regen tegen het raam.

Toen draaide ze het vel om.

Op de achterkant stond nog iets.

Niet in Roberts handschrift.

Het waren maar vier woorden.

Geschreven met een blauwe balpen die Ellen onmiddellijk herkende.

Het handschrift van haar moeder.

Je vader had ongelijk.

Daaronder stond een telefoonnummer.

En daaronder:

Robert — 2019.