Deel 2
Ellen staarde zo lang naar het telefoonnummer dat de cijfers begonnen te vervagen.
Haar moeder had Robert dus gevonden.
Of Robert had haar moeder gevonden.
Hoe dan ook: vier jaar geleden had iemand dit nummer onder aan een brief uit 1983 geschreven.
En haar moeder had niets gezegd.
Ellen pakte haar telefoon.
Ze typte de cijfers in.
Daarna legde ze hem weer neer.
Wat moest ze zeggen?
Hallo, je kent me misschien nog. We waren verliefd toen Ronald Reagan president was.
Ze moest bijna lachen.
Bijna.
In plaats daarvan liep ze naar de keuken en schonk koffie in die inmiddels koud was.
Haar vader was dood.
Haar moeder was dood.
Er was niemand meer aan wie ze kon vragen waarom die brief nooit bij haar terecht was gekomen.
Maar één ding wist ze nu wel.
Robert had haar niet laten zitten.
Die wetenschap voelde vreemd genoeg niet als opluchting.
Eerder als verdriet om iets waarvan ze niet eens had geweten dat ze het nog betreurde.
Ze dacht aan haar zeventienjarige zelf.
Aan dat meisje dat wekenlang naar de brievenbus was gelopen.
Dat zich had afgevraagd wat ze verkeerd had gedaan.
Dat uiteindelijk had besloten dat ze blijkbaar niet belangrijk genoeg was geweest om afscheid van te nemen.
Ellen keek opnieuw naar het nummer.
Toen drukte ze op bellen.
Eén keer overgaan.
Twee keer.
Drie.
“Hallo?”
Een mannenstem.
Ouder natuurlijk.
Veel ouder.
Ellen zei niets.
“Hallo?”
“Robert?”
Stilte.
Heel even dacht Ellen dat de verbinding verbroken was.
Toen hoorde ze:
“Ja?”
“Ik… mijn naam is Ellen.”
Opnieuw stilte.
Maar deze keer hoorde ze hem ademhalen.
“Ellen?”
De manier waarop hij haar naam zei, deed iets met haar.
Niet omdat hij nog klonk als de jongen van achttien. Dat deed hij helemaal niet.
Maar omdat ze plotseling weer wist hoe hij vroeger haar naam uitsprak.
Alsof de eerste letter iets langer duurde dan nodig.
“Van het station?” vroeg hij.
Ellen sloot haar ogen.
“Ja.”
Robert ademde hoorbaar uit.
“Jeetje.”
Geen van beiden wist daarna wat te zeggen.
Uiteindelijk begon Ellen.
“Ik heb je brief gevonden.”
“Mijn brief?”
“Uit 1983.”
Aan de andere kant werd het stil.
“Dan heeft je moeder hem dus toch bewaard.”
“Je wist dat zij hem had?”
“Niet toen.”
Ellen ging zitten.
“Wanneer dan wel?”
“Een paar jaar geleden.”
Natuurlijk.
Robert vertelde dat hij na het overlijden van zijn vrouw oude dozen had uitgezocht. Tussen zijn spullen had hij een foto gevonden van Ellen en hem bij een kermis. Hij had zich afgevraagd wat er van haar geworden was.
“Dus heb ik je opgezocht.”
“Op Facebook?”
Robert lachte zacht.
“Ik ben niet zo handig met Facebook.”
Via een oud-klasgenoot had hij uiteindelijk gehoord dat Ellens ouders nog altijd in hetzelfde huis woonden.
Hij had een brief geschreven.
Aan Ellen.
Maar omdat hij niet wist waar zij woonde, stuurde hij hem naar haar ouderlijk huis.
Haar moeder had hem gebeld.
“Wat zei ze?”
Robert zweeg even.
“Dat ze me iets moest vertellen.”
Ellen voelde haar vingers strakker om de telefoon sluiten.
“Over mijn vader?”
“Ja.”
Robert vertelde dat haar vader hem die avond bij het station had opgewacht.
Niet toevallig.
Hij wist van hen.
Iemand uit het dorp had Ellen en Robert samen gezien en het thuis verteld.
“Je vader zei dat jullie verhuisden,” zei Ellen.
“Nee. Dat wist hij toen nog niet.”
Ellen voelde haar maag draaien.
“Wat?”
“Dat gebeurde pas later die avond. Mijn vader kreeg problemen en besloot dat we onmiddellijk naar mijn oom in België gingen.”
“Maar waarom stond mijn vader dan bij het station?”
“Omdat hij wilde dat ik bij je uit de buurt bleef.”
Robert had geweigerd.
Toen had haar vader gezegd dat Ellen zelf had verteld dat ze genoeg van hem had.
Ellen schudde haar hoofd, hoewel Robert dat niet kon zien.
“Nee.”
“Dat weet ik nu.”
“Dat heb ik nooit gezegd.”
“Ik weet het.”
Robert had haar toch willen spreken.
Maar toen hij Ellen aan de overkant zag staan, had haar vader hem tegengehouden.
“Hij zei dat als ik echt iets om je gaf, ik je met rust moest laten.”
Diezelfde nacht hoorde Robert dat zijn gezin vertrok.
Daarom had hij de brief geschreven.
Hij had hem de volgende ochtend persoonlijk bij Ellens huis in de brievenbus gedaan.
“En mijn vader heeft hem gevonden?”
“Dat dacht ik jarenlang.”
“Maar hij lag in het naaikistje van mijn moeder.”
“Dat weet ik.”
Ellen keek naar de vier woorden.
Je vader had ongelijk.
“Wat heeft mijn moeder jou in 2019 precies verteld?”
Robert antwoordde niet meteen.
“Dat zij de brief had gevonden.”
“Wanneer?”
“De ochtend nadat ik hem had bezorgd.”
“En toen?”
“Ze wilde hem aan je geven.”
Ellen voelde al aankomen dat er meer kwam.
“Maar?”
“Je vader verbood het.”
Ellen keek naar de foto op het dressoir.
Haar vader was streng geweest. Zeker toen ze jong was.
Maar dit?
Dit paste niet bij de man die ze later had gekend.
Of misschien wilde ze vooral dat het niet paste.
“Waarom heeft mijn moeder hem dan niet gewoon aan mij gegeven?”
“Dat heb ik haar ook gevraagd.”
“En?”
Robert zuchtte.
“Ze zei dat ze bang voor hem was.”
Ellen zei niets.
“Niet op de manier die je misschien denkt,” vervolgde hij snel. “Ze zei dat je vader in die tijd alles bepaalde. Geld, kinderen, huis. Ze ging zelden tegen hem in. En daarna… daarna verstreken de jaren.”
Dat klonk wél als haar moeder.
Niet zwak.
Maar conflictvermijdend.
Altijd de vrede bewaren.
Zelfs wanneer die vrede iemand anders iets kostte.
“Waarom schreef ze jouw nummer op die oude brief?”
“Omdat ik haar vroeg je mijn nummer te geven.”
“Maar dat heeft ze niet gedaan.”
“Nee.”
Ellen voelde boosheid opkomen.
Niet eens alleen om 1983.
Ook om 2019.
Toen was Ellen drieënvijftig.
Haar vader was al jaren dood.
Er was geen enkele reden meer om te zwijgen.
“Waarom niet?”
Robert aarzelde.
“Daarvoor moet je denk ik iets anders lezen.”
Ellen verstijfde.
“Wat?”
“Je moeder heeft me daarna nog één keer gebeld. Een paar weken later.”
“En?”
“Ze zei dat ze een brief voor jou had geschreven.”
Ellen keek om zich heen.
Dozen.
Kasten.
Mappen.
Een heel huis vol spullen.
“Waar is die brief?”
“Dat weet ik niet.”
“Wat stond erin?”
“Ik weet alleen wat ze mij vertelde.”
Ellen stond op.
“Wat dan?”
Aan de andere kant bleef het een paar seconden stil.
Toen zei Robert:
“Dat je vader destijds niet alleen bang was dat ik je hart zou breken.”
“Waar was hij dan bang voor?”
“Voor wat jij zou ontdekken als je bij mij bleef.”
Ellen voelde een rilling over haar armen gaan.
“Ontdekken over wat?”
Robert antwoordde zacht:
“Over hem.”