De eerste keer dat Noor hem zag, dacht ze niet veel van hem.
Het was een donderdagmiddag in november, iets na tweeën. Buiten regende het al sinds de ochtend en in het café was het ongewoon rustig. Twee vrouwen zaten bij het raam met cappuccino, achterin werkte iemand op een laptop en aan de bar dronk een vaste klant zijn tweede biertje.
De oude man kwam alleen binnen.
Hij hing zijn donkergrijze jas aan de kapstok, streek met zijn hand over zijn dunne witte haar en keek de zaak rond.
“Goedemiddag,” zei Noor.
“Goedemiddag.”
“Zoekt u een plekje?”
Hij wees naar een tafeltje aan de muur.
“Tafel zeven vrij?”
Noor keek even.
“Jazeker.”
Hij glimlachte.
“Mooi.”
Dat was alles.
Hij ging zitten, bestelde koffie en een stuk appeltaart zonder slagroom en bleef bijna een uur.
De donderdag erna kwam hij opnieuw.
Zelfde tijd.
Zelfde tafel.
Zelfde bestelling.
Na een week of zes hoefde Noor niets meer te vragen.
“Een koffie en appeltaart zonder slagroom?”
“Je leert snel.”
“Beroepsrisico.”
Hij heette meneer Van Dijk.
Zijn voornaam wist Noor toen nog niet.
Hij was beleefd, gaf altijd fooi en maakte nooit haast. Soms las hij een krant. Soms keek hij naar buiten. Maar meestal zat hij gewoon aan tafel zeven en keek hij naar de mensen om zich heen.
Noor vond hem prettig.
In de horeca leerde je vaste klanten snel kennen. Je wist wie een dubbele espresso wilde, wie altijd klaagde dat de soep niet heet genoeg was en wie na drie wijn ineens levensadvies begon uit te delen.
Meneer Van Dijk was anders.
Hij vroeg bijna nooit iets.
Behalve één keer.
Het was ergens in januari.
Noor zette zijn koffie neer toen hij zei:
“Werk jij hier iedere donderdag?”
“Meestal wel.”
“Al lang?”
“Bijna drie jaar.”
Hij knikte alsof dat antwoord belangrijk was.
“Bevalt het?”
Noor haalde haar schouders op.
“Het betaalt de huur.”
Hij lachte.
“Dat klinkt niet als een droombaan.”
“Dat is het ook niet.”
“Wat is je droombaan dan?”
Die vraag kreeg Noor vaker.
Meestal van mensen die vervolgens vertelden dat ze vooral moest doen waar haar hart lag.
Alsof de huurbaas genoegen nam met passie.
“Ik wilde vroeger de zorg in,” zei ze.
“Vroeger?”
“Ik ben pas achtentwintig.”
“Precies. Dus dat vroeger valt nogal mee.”
Noor glimlachte.
“Verpleegkunde. Maar ik ben na een jaar gestopt.”
“Waarom?”
Ze wilde antwoorden dat het ingewikkeld was.
In plaats daarvan zei ze:
“Mijn moeder werd ziek.”
Meneer Van Dijk keek haar aan.
Niet met de overdreven bezorgde blik die mensen vaak kregen zodra ze het woord ziek hoorden.
Gewoon aandachtig.
“En toen?”
“Ik ben meer gaan werken. Studie uitgesteld. Daarna kwam het er niet meer van.”
“Hoe gaat het met je moeder?”
“Ze is vier jaar geleden overleden.”
Hij zweeg.
“Het spijt me.”
“Dank u.”
Noor pakte het lege kopje van de tafel.
“Wilt u nog iets?”
“Nee, dank je.”
Toen ze zich omdraaide, zei hij:
“Noor?”
Ze keek terug.
“Misschien kwam het er nog niet van.”
Ze begreep hem niet.
“Wat?”
“Die studie.”
Hij vouwde zijn krant open.
“Dat is iets anders dan dat het er nooit meer van komt.”
Noor dacht daar die avond langer over na dan ze wilde toegeven.
Daarna werden de donderdagen een soort ritueel.
Om twee uur keek ze automatisch naar de deur.
Soms kwam hij vijf minuten eerder.
Nooit meer dan tien minuten later.
Tafel zeven.
Koffie.
Appeltaart zonder slagroom.
Na een paar maanden wist ze dat zijn voornaam Willem was.
Dat hij weduwnaar was.
Dat hij vroeger boekhouder was geweest.
Dat hij twee dochters had die allebei ver weg woonden.
En dat hij een hekel had aan rozijnen.
“Dan heeft u geluk,” zei Noor een keer. “Onze appeltaart heeft geen rozijnen.”
“Daarom kom ik hier.”
“Dus niet voor mijn fantastische bediening?”
“Dat staat op nummer twee.”
Ze lachten.
Maar één ding viel Noor steeds meer op.
Willem zat alleen aan tafel zeven als zij werkte.
Op een donderdag in juni was Noor vrij.
De vrijdag erna vroeg ze aan haar collega Samira of meneer Van Dijk gisteren nog was geweest.
“Wie?”
“Die oudere meneer. Grijze jas. Altijd appeltaart.”
“O, die.”
“Was hij er?”
Samira dacht na.
“Nee, volgens mij niet.”
Een paar weken later gebeurde hetzelfde.
Noor had een tandartsafspraak en begon pas om vier uur.
Willem kwam om kwart over vier binnen.
“U bent laat,” zei Noor.
Hij keek op zijn horloge.
“Jij ook.”
Ze lachte.
Maar later dacht ze eraan terug.
Hoe wist hij eigenlijk wanneer zij werkte?
In september werkte Noor precies drie jaar in het café.
Haar baas zette ’s morgens een klein gebakje voor haar neer.
“Jubileum.”
“Hoera. Wanneer krijg ik mijn gouden horloge?”
“Over zevenenveertig jaar.”
Om twee uur kwam Willem binnen.
Hij had geen cadeau bij zich.
Wel een envelop.
“Voor jou.”
Noor keek ernaar.
“Waarom?”
“Drie jaar, hoorde ik.”
“Wie heeft dat verteld?”
“Je baas praat nogal hard.”
Ze pakte de envelop aan.
Er zat een kaart in.
Geen geld.
Geen cadeaukaart.
Alleen één zin:
Sommige dingen moet je niet blijven uitstellen omdat het leven tussendoor kwam.
Daaronder stond:
Kijk vanavond eens op de website van de opleiding.
Noor schoot in de lach.
“U geeft niet snel op, hè?”
“Nee.”
“U weet dat verpleegkunde vier jaar duurt?”
“Dat wist ik.”
“En dat ik dan minder moet werken?”
“Waarschijnlijk.”
“En dat ik achtentwintig ben?”
“Daar hebben we het al over gehad.”
Noor stopte de kaart terug in de envelop.
“Ik zal kijken.”
“Dat zeg je om van me af te zijn.”
“Absoluut.”
Maar die avond keek ze.
Er bleek een deeltijdopleiding te zijn.
Ze sloot de website weer.
De volgende donderdag vroeg Willem:
“En?”
“Niets.”
“Je hebt gekeken.”
“Misschien.”
Hij glimlachte.
Meer zei hij niet.
In oktober vroeg Noor informatie aan.
In november bezocht ze een open avond.
En in januari schreef ze zich in.
Willem was de eerste klant aan wie ze het vertelde.
Hij legde zijn vork neer.
“Zie je wel.”
“Rustig maar. Ik moet nog aangenomen worden.”
“Dat word je.”
“Hoe weet u dat?”
“Omdat jij al jaren voor iedereen zorgt zonder dat er verpleegkundige op je naamkaartje staat.”
Noor keek hem aan.
“Dat is verdacht aardig.”
“Dan neem ik het terug.”
In februari kreeg ze bericht.
Aangenomen.
Ze printte de e-mail uit en legde hem op tafel zeven voordat Willem binnenkwam.
Hij las hem langzaam.
Daarna keek hij op.
“Mooi.”
Dat was alles.
Geen groot feest.
Geen omhelzing.
Maar Noor zag dat zijn ogen vochtig werden.
“U bent er emotioneler onder dan ik.”
“Op mijn leeftijd krijg je van tocht al tranende ogen.”
“Binnen?”
“Gevaarlijke tocht.”
Het voorjaar kwam.
Daarna de zomer.
Willem bleef iedere donderdag komen.
Inmiddels wist Noor precies hoe hij zijn koffie dronk en wist hij op welke dagen zij college had.
Soms nam hij een boek voor haar mee dat hij ergens tweedehands had gevonden.
Soms vroeg hij naar een tentamen.
Hij werd geen vriend.
Daarvoor was het leeftijdsverschil te groot en hun contact te beperkt.
Maar hij werd wel iemand bij wie ze automatisch glimlachte wanneer de deur op donderdagmiddag openging.
Tot die donderdag in oktober.
Twee uur.
Tafel zeven was vrij.
Kwart over twee.
Nog steeds.
Halfdrie.
Noor keek naar buiten.
Het regende.
“Je verwacht iemand?” vroeg Samira.
“Meneer Van Dijk.”
“Die komt toch altijd?”
“Ja.”
Om drie uur stond zijn koffie nog niet op tafel.
Om vier uur wist Noor dat er iets niet klopte.
Willem was in bijna twee jaar nooit zomaar weggebleven.
De volgende donderdag kwam hij opnieuw niet.
“Misschien is hij bij zijn dochters,” zei Samira.
“Waarschijnlijk.”
Maar Noor geloofde het niet.
Ze besefte dat ze nauwelijks iets van hem wist.
Geen adres.
Geen telefoonnummer.
Niet eens de namen van zijn dochters.
Alleen Willem van Dijk.
Weduwnaar.
Voormalig boekhouder.
Hield van appeltaart zonder rozijnen.
De derde donderdag bleef tafel zeven opnieuw leeg.
Die middag besloot Noor haar baas te vragen of Willem misschien ooit telefonisch had gereserveerd.
Haar baas keek haar vreemd aan.
“Meneer Van Dijk?”
“Ja.”
Hij liep naar het kantoor achter de keuken.
Even later kwam hij terug met een oud reserveringsboek.
“Hij heeft één keer gebeld.”
“Wanneer?”
“Lang geleden. Voordat hij hier vaste klant werd.”
Noor keek naar de datum.
Bijna twee jaar geleden.
Naast zijn naam stond een telefoonnummer.
“Mag ik hem bellen?”
Haar baas aarzelde.
“Je weet dat we klantgegevens niet zomaar—”
“Ik wil alleen weten of het goed met hem gaat.”
Hij zuchtte.
“Doe het hier.”
Noor pakte de vaste telefoon.
Ze toetste het nummer in.
Na vier keer overgaan werd opgenomen.
“Hallo?”
Een vrouw.
“Goedemiddag. U spreekt met Noor van café De Linden. Ik probeer meneer Willem van Dijk te bereiken.”
Het bleef stil.
“Hallo?”
“Ja,” zei de vrouw.
Haar stem veranderde.
“Waarom belt u?”
“Hij komt hier iedere donderdag. Maar we hebben hem nu drie weken niet gezien en ik wilde eigenlijk alleen even vragen of alles goed is.”
Opnieuw stilte.
Toen vroeg de vrouw:
“Bent u Noor?”
Noor fronste.
“Ja.”
Aan de andere kant hoorde ze de vrouw diep ademhalen.
“O.”
“Is er iets?”
“Mijn vader heeft over u verteld.”
Noor voelde haar maag samentrekken.
“Uw vader?”
“Willem van Dijk.”
“Gaat het goed met hem?”
De vrouw antwoordde niet meteen.
Toen zei ze:
“Mijn vader is drie weken geleden overleden.”
Noor greep de rand van de balie vast.
“O.”
Meer kwam er niet uit.
“Het ging heel snel,” zei de vrouw. “Een hersenbloeding. Hij heeft er waarschijnlijk nauwelijks iets van gemerkt.”
Noor keek naar tafel zeven.
Leeg.
“Het spijt me.”
“Dank u.”
“Hij… hij kwam hier iedere donderdag.”
“Dat weet ik.”
Noor veegde met haar hand langs haar wang.
Ze had niet gemerkt dat ze huilde.
“Sorry. Ik kende hem eigenlijk helemaal niet zo goed.”
“Volgens mij kende u hem beter dan u denkt.”
Noor zei niets.
Toen vroeg de vrouw:
“Bent u morgen in het café?”
“Ja.”
“Dan zou ik graag even langskomen.”
“Dat hoeft echt niet.”
“Jawel.”
“Waarom?”
De vrouw zweeg even.
“Mijn vader heeft iets voor u achtergelaten.”
De volgende middag kwam ze om twee uur.
Noor herkende haar onmiddellijk.
Niet omdat ze haar ooit had gezien.
Maar omdat ze Willems ogen had.
Ze stelde zich voor als Marieke en droeg een platte kartonnen doos onder haar arm.
“Zullen we zitten?” vroeg Noor.
Marieke keek de zaak rond.
“Welke was het?”
Noor wees.
“Tafel zeven.”
Marieke bleef staan.
“Dat dacht ik al.”
Noor keek haar aan.
“Waarom?”
Marieke zette de doos op tafel.
“Omdat mijn vader hier niet toevallig iedere donderdag kwam.”
Ze schoof de doos naar Noor toe.
Bovenop lag een oude foto.
Noor pakte hem op.
Het was duidelijk een foto uit de jaren negentig.
Een vrouw van een jaar of veertig stond voor het café.
Het café zag er anders uit. Andere luifel. Andere stoelen.
Maar het was dezelfde plek.
Naast de vrouw stond een meisje.
Misschien zes jaar oud.
Donker haar.
Een roze jas.
Noor voelde haar adem stokken.
Ze kende die jas.
Ze had hem jarenlang gedragen.
“Dat ben ik.”
“Ik weet het,” zei Marieke.
Noor keek naar de vrouw naast haar.
Ze hoefde niet te vragen wie het was.
“Mama.”
Marieke knikte.
“Mijn vader kende je moeder.”
Noor keek op.
“Hoe?”
Marieke legde haar handen op tafel.
“Dat is waarom hij hier kwam.”