Deel 2
Noor keek opnieuw naar de foto.
Ze wist niet eens dat die bestond.
Haar moeder stond lachend voor het café, haar haar langer dan Noor het zich herinnerde. Ze droeg een spijkerjack en hield de hand vast van de zesjarige Noor.
“Waar heeft uw vader deze vandaan?”
“Van mijn moeder.”
“Uw moeder?”
Marieke knikte.
“Onze moeders waren vriendinnen.”
Noor probeerde in haar herinneringen te zoeken.
Haar moeder had vriendinnen gehad. Collega’s. Buurvrouwen. Mensen van vroeger over wie ze soms vertelde.
Maar de naam Van Dijk zei haar niets.
“Hoe heette uw moeder?”
“Anja.”
En toen wist Noor het.
“Tante Anja?”
Marieke glimlachte.
“Waarschijnlijk.”
Noor keek haar verbaasd aan.
Ze herinnerde zich nauwelijks een gezicht, maar wel een naam.
Tante Anja.
Geen echte tante.
Een vrouw die vroeger soms op verjaardagen kwam en altijd iets te grote cadeaus meenam.
“Ze verdween ineens.”
“Ze werd ziek,” zei Marieke. “Mijn moeder kreeg MS. Eerst ging het nog redelijk, later steeds slechter. Mijn ouders verhuisden omdat ze een gelijkvloerse woning nodig hadden.”
Noor knikte langzaam.
“Mijn moeder heeft daar nooit veel over verteld.”
“Mijn moeder overleed in 2008.”
“Dat spijt me.”
Marieke knikte.
“Jouw moeder kwam op haar begrafenis.”
Noor keek haar aan.
Dat wist ze niet.
“En uw vader?”
“Mijn vader en jouw moeder bleven daarna af en toe contact houden. Niet vaak. Een kerstkaart. Soms bellen.”
“Waarom heeft hij daar nooit iets over gezegd?”
“Volgens mij wilde hij niet dat je dacht dat hij zich met je leven bemoeide.”
Noor lachte kort.
“Dat deed hij behoorlijk.”
“Ja, dat kon hij.”
Marieke opende de kartonnen doos.
Er lagen foto’s in.
Brieven.
Een paar kaarten.
En een schrift.
“Mijn vader vond deze spullen na mijn moeders overlijden. Jouw moeder had veel voor haar gedaan toen ze ziek werd. Boodschappen, autorijden, meegaan naar afspraken.”
Dat klonk als haar moeder.
Altijd voor iemand zorgen.
Nooit vertellen hoeveel tijd het kostte.
“Toen jouw moeder ziek werd, wilde mijn vader iets terugdoen.”
Noor keek op.
“Hij wist dat?”
“Ja.”
“Maar hij kwam nooit bij ons thuis.”
“Nee. Jouw moeder wilde dat niet.”
Noor begreep het meteen.
Haar moeder had een hekel gehad aan medelijden.
Toen ze kanker kreeg, mochten zo weinig mogelijk mensen het weten.
“Mijn vader stuurde soms geld,” zei Marieke.
Noor fronste.
“Geld?”
“Niet veel. Voor taxi’s. Maaltijden. Dat soort dingen.”
“Daar weet ik niets van.”
“Dat was ook de bedoeling.”
Noor keek naar de doos.
“Maar waarom kwam hij dan later hier?”
Marieke haalde een envelop uit het schrift.
“Deze heeft jouw moeder aan mijn vader geschreven.”
Noor herkende het handschrift onmiddellijk.
Marieke schoof de brief naar haar toe.
“Lees maar.”
De brief was geschreven enkele maanden voordat haar moeder overleed.
Noor las langzaam.
Haar moeder bedankte Willem voor alles wat hij had gedaan.
Daarna schreef ze over Noor.
Ze heeft haar opleiding stopgezet om voor mij te zorgen.
Noor slikte.
Ze zegt dat het tijdelijk is, maar ik ken mijn dochter. Straks vindt ze honderd redenen waarom opnieuw beginnen niet meer kan.
Noor moest even stoppen.
Ze hoorde haar moeder bijna praten.
Als ik er straks niet meer ben, wil ik niet dat haar leven samen met het mijne stopt.
Verderop stond:
Je hoeft niets te doen. Maar mocht je haar ooit tegenkomen, herinner haar er dan aan dat ze nog tijd heeft.
Noor legde de brief neer.
“Dus daarom?”
Marieke knikte.
“Mijn vader wist via een oud-collega van je moeder dat jij hier werkte.”
“En toen is hij gewoon binnengekomen?”
“Niet meteen.”
“Wat bedoelt u?”
“Hij heeft eerst weken aan de overkant koffie gedronken.”
Noor keek haar ongelovig aan.
“Waarom?”
“Hij durfde niet.”
Ondanks haar tranen schoot Noor in de lach.
“Willem?”
“Mijn vader was een stuk minder stoer dan hij deed voorkomen.”
“Maar waarom tafel zeven?”
Marieke pakte de oude foto.
Ze draaide hem om.
Op de achterkant stond een datum.
14 mei 1998.
Daaronder had haar moeder geschreven:
Noor wil later zuster worden. Ze praat nergens anders over.
Noor voelde haar keel dichttrekken.
Marieke wees naar de foto.
“Volgens mijn vader zaten jullie die middag binnen aan tafel zeven.”
Noor keek naar de tafel.
“Dat kan hij toch niet weten?”
“Mijn moeder heeft de foto gemaakt.”
Ineens begreep Noor waarom Willem bij zijn eerste bezoek specifiek naar dat tafeltje had gevraagd.
Niet omdat het rustig stond.
Niet omdat hij graag bij de muur zat.
Hij had geweten dat zij daar ooit met haar moeder had gezeten.
“Hij kwam dus vanwege die brief?”
“In het begin wel.”
“In het begin?”
Marieke glimlachte.
“Later kwam hij omdat hij je aardig vond.”
Noor lachte door haar tranen heen.
“Gelukkig maar.”
“Hij praatte iedere donderdag over je.”
“Dat klinkt zorgwekkend.”
“Vooral over je studie. Je tentamens. En over het feit dat je volgens hem koffie serveert alsof je boos bent op het kopje.”
“Dat heeft hij nooit tegen mij gezegd.”
“Dat durfde hij dan weer niet.”
Ze zaten nog bijna een uur samen.
Toen Marieke opstond, liet ze de doos achter.
“Die is voor jou.”
“Maar dit zijn spullen van uw moeder en vader.”
“En van jouw moeder.”
Noor keek naar het schrift.
“Er zit nog iets in,” zei Marieke.
“Wat?”
“Dat moet je thuis maar bekijken.”
Die avond zette Noor de doos op haar keukentafel.
Ze bladerde door foto’s van haar moeder die ze nooit eerder had gezien.
Haar moeder op een camping.
Haar moeder met Anja.
Haar moeder lachend met een glas wijn.
Niet als patiënt.
Niet als moeder.
Gewoon als vrouw van veertig die nog geen idee had wat er later zou gebeuren.
Achterin het schrift vond Noor een envelop.
Op de voorkant stond:
Voor Noor, als ze toch weer gaat studeren.
Het was niet het handschrift van haar moeder.
Het was Willems handschrift.
Noor opende hem.
Binnenin zat een brief.
En een cheque.
Noor keek naar het bedrag.
Toen nog een keer.
€12.500.
Ze liet hem bijna uit haar handen vallen.
Onder de cheque zat een briefje.
Voor boeken, collegegeld en alle uren waarin je niet achter die bar kunt staan.
Je moeder vroeg me alleen je eraan te herinneren dat je nog tijd had.
De rest was mijn eigen idee.
Maak er iets moois van.
Willem.
Noor bleef minutenlang naar het bedrag kijken.
Toen pakte ze onmiddellijk haar telefoon.
Ze belde Marieke.
“Dit kan ik niet aannemen.”
“Ik dacht al dat je zou bellen.”
“Dit is twaalfduizend vijfhonderd euro.”
“Dat weet ik.”
“Dit hoort bij jullie.”
“Nee.”
“Marieke—”
“Mijn vader heeft dit vóór zijn dood geregeld. Mijn zus en ik weten ervan.”
“Maar waarom zoveel?”
Marieke antwoordde niet meteen.
“Daar is nog een reden voor.”
Noor sloot haar ogen.
“Nog één?”
“Ja.”
“Wat dan?”
“Mijn vader heeft jou nooit verteld wat jouw moeder voor óns heeft gedaan.”
Noor keek naar de foto op tafel.
“Wat heeft ze gedaan?”
Marieke zei zacht:
“Zonder jouw moeder had ik mijn vader waarschijnlijk twintig jaar geleden al verloren.”