De eerste brief lag op een vrijdagmorgen tussen een rekening van de energieleverancier en een reclamefolder van de supermarkt.
Eva zou hem waarschijnlijk niet eens hebben opgemerkt als haar naam er niet met de hand op had gestaan.
Eva de Wit.
Geen adres. Geen postcode. Geen postzegel.
Alleen haar naam, geschreven met blauwe inkt.
Ze draaide de envelop om. Ook de achterkant was leeg.
Even keek ze naar de brievenbus aan het einde van haar oprit. De postbode was nog niet geweest. Dat wist ze zeker, want die kwam meestal pas rond elf uur.
Waarschijnlijk reclame, dacht ze.
Of een buurkind dat iets voor school verkocht.
Ze scheurde de envelop open.
Er zat één vel papier in.
Geen aanhef. Geen handtekening.
Slechts één zin.
Je hebt de rode sjaal nog steeds.
Eva las hem twee keer.
Daarna liep ze naar het raam.
De straat was leeg.
Aan de overkant stond de auto van buurvrouw Els. Verderop lagen twee omgevallen fietsen in een voortuin. Niets bijzonders.
Ze keek weer naar het briefje.
De rode sjaal.
Ze had inderdaad een rode sjaal.
Maar dat gold waarschijnlijk voor duizenden vrouwen.
Eva verfrommelde het papier en gooide het in de prullenbak.
Die avond dacht ze er alweer niet meer aan.
Tot de volgende vrijdag.
Dit keer lag de envelop alleen in de brievenbus.
Dezelfde crèmekleurige envelop.
Dezelfde blauwe letters.
Eva de Wit.
Ze voelde een kleine kriebel in haar buik.
Binnen maakte ze hem meteen open.
Je had hem niet weg moeten gooien.
Eva bleef midden in de keuken staan.
Haar ogen gingen naar de prullenbak.
Die was woensdag geleegd.
Ze liep naar de achterdeur en controleerde of die op slot zat.
Daarna belde ze haar broer.
“Heb jij iets in mijn brievenbus gedaan?”
Mark lachte.
“Goedemorgen voor jou ook.”
“Ik meen het.”
“Wat zou ik in je brievenbus moeten doen?”
“Brieven.”
“Brieven?”
“Laat maar.”
Ze hing op voordat hij meer vragen kon stellen.
De derde brief kwam precies een week later.
Eva had die ochtend vanuit de woonkamer naar de brievenbus zitten kijken.
Om kwart voor negen was hij leeg.
Om negen uur ook.
Om vijf over negen zette ze koffie.
Toen ze om twaalf minuten over negen opnieuw keek, zag ze de envelop.
Ze rende naar buiten.
Niemand.
Ze keek links en rechts door de straat. Een man liet verderop zijn hond uit. Een bestelbus reed de hoek om.
Dat was alles.
Met koude vingers opende ze de envelop.
Je moeder vond de sjaal verschrikkelijk.
Eva ging op de onderste trede van de trap zitten.
Nu was het geen grap meer.
Haar moeder was elf jaar geleden overleden.
En ze hád de rode sjaal verschrikkelijk gevonden.
“Dat ding maakt je tien jaar ouder,” zei ze iedere keer wanneer Eva hem droeg.
Het was zo’n zin die nergens belangrijk genoeg voor was om ooit aan iemand te vertellen.
Eva liep naar boven.
Achter in haar kledingkast stond een kartonnen doos die ze sinds haar verhuizing nauwelijks had aangeraakt.
Ze trok hem naar voren.
Fotoalbums. Een oud horloge. Kerstkaarten. Een stoffen tasje van haar moeder.
En helemaal onderin:
de rode sjaal.
Eva pakte hem voorzichtig op.
Ze had hem al jaren niet gezien.
De vierde vrijdag bleef ze thuis van haar werk.
Om acht uur ging ze bij het raam zitten.
Om tien uur gebeurde er nog niets.
Om elf uur nog steeds niet.
Om 11.23 uur belde haar leidinggevende. Eva liep naar de keuken om op te nemen.
Het gesprek duurde nog geen vier minuten.
Toen ze terugkwam, lag de envelop er.
Ze vloekte hardop en rende naar buiten.
Weer niemand.
De vierde brief bevatte zes woorden.
Vraag Mark naar het huisje in Vorden.
Dit keer belde Eva haar broer onmiddellijk.
“Welk huisje?”
Het bleef stil aan de andere kant.
“Mark?”
“Waar heb je het over?”
“In Vorden.”
Opnieuw stilte.
Maar deze keer hoorde ze iets in zijn ademhaling veranderen.
“Wie heeft je dat verteld?”
Eva kneep de telefoon steviger vast.
“Dus er ís een huisje.”
“Eva, luister naar me. Als iemand je hierover benadert, reageer dan niet.”
“Waarover?”
“Gooi alles weg.”
“Mark—”
“Beloof het.”
Hij verbrak de verbinding.
Vanaf dat moment bewaarde Eva iedere brief.
Nummer vijf:
Hij liegt omdat hij denkt dat hij je beschermt.
Nummer zes:
Je bent daar eerder geweest. Je herinnert het je alleen niet.
Eva sliep die week nauwelijks.
Ze doorzocht oude fotoalbums. Papieren van haar moeder. Dozen op zolder.
Nergens vond ze iets over Vorden.
Mark nam haar telefoontjes niet meer op.
Donderdagavond zette Eva een stoel naast het raam.
Ze was klaar met bang zijn.
De volgende ochtend zat ze er vanaf zes uur.
Om zeven uur: niets.
Acht uur: niets.
Negen uur.
Half tien.
Om 10.17 uur reed de postbode voorbij. Eva zag hem bij haar brievenbus stoppen en een stapeltje post erin doen.
Geen crèmekleurige envelop.
Dus de brieven kwamen niet via de post.
Om elf uur begon ze te denken dat er deze vrijdag niets zou komen.
Toen ging haar telefoon.
Mark.
Eva keek naar zijn naam, twijfelde en nam toch op.
“Waar ben je?”
“Thuis.”
“Ga weg.”
Eva ging rechter zitten.
“Wat?”
“Ga nu naar buiten. Stap in je auto en ga ergens heen waar mensen zijn.”
“Waarom?”
“Eva, alsjeblieft. Doe één keer wat ik zeg.”
Op dat moment zag ze beweging aan het einde van haar oprit.
“Mark…”
Een persoon liep richting haar brievenbus.
Niet snel. Niet stiekem.
Gewoon rustig.
Een lange donkere jas.
Grijs haar.
Eva stond op.
De telefoon gleed bijna uit haar hand.
De vrouw bleef bij de brievenbus staan en haalde iets uit haar jaszak.
Een crèmekleurige envelop.
Eva kon haar gezicht nu zien.
Haar hart leek één slag over te slaan.
“Nee,” fluisterde ze.
Aan de telefoon zei Mark iets, maar Eva hoorde hem nauwelijks meer.
Ze kende dat gezicht.
Ze had het als kind honderden keren gezien.
Op verjaardagen.
Aan de keukentafel.
Naast haar moeder op oude vakantiefoto’s.
Alleen was de vrouw voor Eva’s raam onmogelijk twintig jaar ouder geworden.
Want volgens haar moeder was ze twintig jaar geleden overleden.
Eva drukte de telefoon tegen haar oor.
“Mark…”
“Wat?”
“Tante Marjan staat bij mijn brievenbus.”
Aan de andere kant werd het volledig stil.
Toen hoorde Eva haar broer één woord zeggen.
“Ren.”