Iedere vrijdag kreeg ze een brief zonder afzender. Na de zevende brief besloot ze te wachten.

ADVERTENTIE

Deel 2

Eva bleef staan.

“Wat bedoel je met ren?”

“Ga naar de achterdeur,” zei Mark. Zijn stem klonk anders dan een paar seconden geleden. “Niet naar haar toe. Niet met haar praten. Pak je autosleutels en ga.”

Eva keek opnieuw door het raam.

De vrouw stond nog steeds bij de brievenbus.

Ze had de envelop inmiddels naar binnen geschoven, maar liep niet weg.

In plaats daarvan keek ze naar het huis.

Recht naar het raam waar Eva stond.

Hun ogen ontmoetten elkaar.

De vrouw stak langzaam haar hand op.

Niet dreigend.

Bijna alsof ze haar begroette.

“Ze ziet me.”

“Eva, weg daar.”

“Waarom?”

“Ik leg het later uit.”

“Nee.”

Eva hoorde zichzelf het woord zeggen voordat ze erover nadacht.

“Wat?”

“Elf jaar geleden ging mam dood. Sindsdien bepaal jij iedere keer wat ik wel en niet mag weten. Eerst het huisje. Nu tante Marjan. Ik ga nergens heen voordat jij me vertelt wat er aan de hand is.”

“Dit is niet het moment.”

“Dan maak je er maar het moment van.”

Buiten begon de vrouw naar het huis te lopen.

Eva’s hart bonsde.

“Ze komt hierheen.”

Mark vloekte.

“Doe de deur op slot.”

“Die is op slot.”

“De achterdeur ook?”

Eva keek richting keuken.

“Ik denk het.”

“Dénk het niet. Controleer het.”

De vrouw was inmiddels halverwege de oprit.

Eva liep achteruit.

Toen klonk de deurbel.

Eén keer.

Niet lang.

Geen gebons.

Gewoon ding-dong.

Eva en Mark zeiden allebei niets.

De bel ging opnieuw.

Toen hoorde Eva een stem door de voordeur.

“Eva?”

Ze kreeg kippenvel over haar armen.

Die stem.

Er zat meer ouderdom in dan ze zich herinnerde, maar ze kende hem.

“Eva, ik weet dat je thuis bent.”

Mark hoorde het ook.

“Niet openmaken.”

Eva liep naar de hal.

“Ze klinkt niet alsof ze me iets wil aandoen.”

“Dat weet je niet.”

“Jij blijkbaar wel.”

Ze keek door het kleine raam naast de voordeur.

De vrouw stond op nog geen meter afstand.

Van dichtbij was het onmogelijk haar te verwarren.

Dezelfde smalle neus. Dezelfde donkere ogen. Zelfs het kleine litteken boven haar linkerwenkbrauw was er nog.

Tante Marjan.

Eva herinnerde zich hoe ze als kind op haar schoot had gezeten terwijl Marjan haar haren vlocht.

Ze herinnerde zich haar parfum.

Ze herinnerde zich de blauwe auto waarmee ze altijd kwam.

En ze herinnerde zich haar moeder die op een avond naast haar bed was gaan zitten.

Er is een ongeluk gebeurd.

Eva was negen geweest.

Marjan was dood.

“Waarom zei mam dat ze overleden was?” fluisterde Eva.

Mark antwoordde niet.

“Waarom?”

Aan de andere kant van de deur zei Marjan:

“Omdat je moeder bang voor me was.”

Eva verstijfde.

Blijkbaar had de vrouw haar gehoord.

“Dat is niet waar,” zei Mark onmiddellijk.

Marjan leunde iets dichter naar de deur.

“Is dat Mark aan de telefoon?”

Eva antwoordde niet.

“Vraag hem waarom hij woensdag bij mij was.”

Eva keek naar haar telefoon.

“Wat?”

“Niet luisteren,” zei Mark.

“Was jij woensdag bij haar?”

“Ik kan het uitleggen.”

“Dus ja.”

“Eva—”

Ze hing op.

Bijna onmiddellijk belde hij terug.

Ze drukte het gesprek weg.

Weer.

Nog een keer.

Eva zette haar telefoon op stil.

Toen keek ze naar de voordeur.

“Waarom stuurde u die brieven?”

Het woord u voelde vreemd voor iemand die ooit familie was geweest.

“Om te kijken hoeveel je je herinnerde.”

“Ik herinner me u.”

“Nu wel.”

Eva voelde een rilling.

“Wat betekent dat?”

“Doe de deur open.”

“Nee.”

Marjan knikte langzaam, alsof ze dat antwoord verwacht had.

“Goed. Dan praten we zo.”

Ze liep weg.

Eva volgde haar vanuit het raam.

Marjan ging niet naar een auto.

Ze liep naar de brievenbus, sloeg linksaf en verdween aan het einde van de straat.

Pas toen durfde Eva de deur te openen.

In de brievenbus lag de zevende envelop.

Ze pakte hem en ging terug naar binnen.

Deze was dikker dan de andere.

Binnen zat geen briefje.

Er zat een foto in.

Eva draaide hem om.

Vier mensen stonden voor een klein houten huisje.

Haar moeder.

Tante Marjan.

Een man die Eva niet herkende.

En een meisje van een jaar of acht.

Eva.

Om haar nek zat de rode sjaal.

Ze draaide de foto om.

Op de achterkant stond:

Vorden — oktober 1998

Daaronder:

Vraag jezelf af waarom je je deze dag niet herinnert.

Eva ging aan de keukentafel zitten.

Ze keek minutenlang naar de foto.

Ze wist zeker dat ze nooit in Vorden was geweest.

Maar daar stond ze.

Ze pakte de rode sjaal uit de doos boven en legde hem naast de foto.

De kleur was exact hetzelfde.

Haar telefoon lichtte opnieuw op.

Dit keer was het geen oproep.

Een bericht van Mark.

Ga alsjeblieft niet naar Vorden.

Eva staarde ernaar.

Daarna typte ze:

Waarom niet?

De drie puntjes verschenen.

Verdwenen.

Verschenen opnieuw.

Toen kwam zijn antwoord.

Omdat mam je daar bijna kwijtraakte.

Eva las het drie keer.

Ze belde hem.

Mark nam onmiddellijk op.

“Wat is er in dat huis gebeurd?”

Hij zuchtte.

“Niet over de telefoon.”

“Dan kom je hierheen.”

“Dat kan niet.”

“Waarom niet?”

Weer die stilte.

“Mark?”

“Ik ben niet thuis.”

“Waar ben je dan?”

Hij antwoordde niet.

Eva keek naar de foto.

Naar het houten huis.

Naar haar moeder.

Naar Marjan.

En naar de onbekende man die zijn hand op de schouder van haar moeder had gelegd.

“Je bent in Vorden.”

Mark zei niets.

Dat was antwoord genoeg.

“Stuur me het adres.”

“Nee.”

“Dan zoek ik het zelf.”

“Eva, als je daarheen komt, maak je alles erger.”

“Voor wie?”

Hij verbrak de verbinding.


Het kostte haar minder dan twintig minuten om het huisje te vinden.

De foto hielp.

Op de achtergrond stond een klein bordje met de gedeeltelijke naam van een vakantiepark. Google deed de rest.

Een uur later reed Eva over een smalle weg tussen kale bomen.

Ze had zichzelf tijdens de rit minstens zes keer verteld dat ze moest omkeren.

Dat deed ze niet.

Het park bleek nauwelijks nog een vakantiepark te zijn. Een verzameling oude huisjes tussen hoge bomen, sommige dichtgetimmerd, andere permanent bewoond.

Nummer 14 lag helemaal achteraan.

Eva remde.

Het huis was veranderd.

Andere ramen. Nieuwe dakpannen.

Maar de vorm was hetzelfde.

Dit was het huis op de foto.

En voor de deur stond Marks auto.

Eva parkeerde twintig meter verderop.

Haar handen trilden toen ze uitstapte.

Ze liep naar het huis.

De voordeur stond op een kier.

“Mark?”

Geen antwoord.

Ze duwde hem open.

Binnen rook het naar vocht en oud hout.

“Mark?”

Dit keer hoorde ze iets.

Stemmen.

Vanuit een kamer achterin.

Eva liep door de gang.

Aan de muur hingen foto’s.

Ze stopte.

Op de eerste stond haar moeder.

Veel jonger.

Op de volgende Marjan.

Daarna Mark als tiener.

En vervolgens zijzelf.

Tientallen foto’s.

Eva op school.

Eva op haar achttiende verjaardag.

Eva bij haar afstuderen.

Eva op haar trouwdag.

Sommige foto’s kende ze.

Andere waren duidelijk van een afstand gemaakt.

De nieuwste was nog geen jaar oud.

Eva voelde haar maag samentrekken.

“Wat is dit?”

De stemmen in de kamer stopten.

Mark verscheen in de deuropening.

Zijn gezicht werd wit.

“Je had niet moeten komen.”

“Wie heeft deze foto’s gemaakt?”

Hij keek achterom.

Eva duwde hem opzij en liep de kamer binnen.

Marjan zat aan een houten tafel.

Tegenover haar zat de man van de foto.

Ouder nu.

Grijs haar. Diepe lijnen rond zijn mond.

Maar onmiskenbaar dezelfde persoon.

Hij stond langzaam op.

Eva keek van hem naar de foto die ze nog in haar hand hield.

“Wie bent u?”

De man slikte.

Zijn ogen vulden zich met tranen.

Marjan keek naar Mark.

“Je kunt het niet meer tegenhouden.”

“Hou je mond,” zei Mark.

Eva draaide zich naar haar broer.

“Wat kan hij niet tegenhouden?”

Niemand antwoordde.

Toen keek de oude man naar de rode sjaal die uit Eva’s tas stak.

Zijn gezicht veranderde.

“Je hebt hem nog.”

Eva voelde haar adem stokken.

Precies dezelfde woorden als in de eerste brief.

Ze deed een stap achteruit.

“U stuurde de brieven.”

De man schudde zijn hoofd.

“Nee.”

Eva keek naar Marjan.

“Dan u?”

Ook zij schudde haar hoofd.

Achter Eva zei Mark zacht:

“Eva…”

Ze draaide zich om.

Hij had tranen in zijn ogen.

Dat had ze haar broer sinds de begrafenis van hun moeder niet meer zien hebben.

“Die brieven kwamen niet van hen.”

Eva voelde plotseling hoe stil het huis was.

“Van wie dan?”

Mark keek naar de foto in haar hand.

Toen naar haar.

“Van mam.”

Eva lachte één keer.

Een kort, ongelovig geluid.

“Onze moeder is elf jaar dood.”

“Ik weet het.”

“Dus hou op.”

“Ik wou dat ik dat kon.”

Hij liep naar een oude kast in de hoek en trok de onderste lade open.

Daaruit haalde hij een stapel crèmekleurige enveloppen.

Tientallen.

Allemaal met dezelfde blauwe handgeschreven letters.

Eva de Wit.

Eva kon niet bewegen.

Mark legde ze op tafel.

“Ze heeft ze geschreven voordat ze stierf.”

Eva keek naar de stapel.

“Waarom?”

Mark pakte de bovenste envelop.

Op de voorkant stond geen nummer.

Alleen een datum.

14 oktober.

Morgen.

“Ze liet instructies achter,” zei hij. “Wanneer iedere brief bezorgd moest worden. Wat erin moest staan. Wanneer we moesten stoppen als je je iets begon te herinneren.”

Eva keek hem aan.

“We?”

Mark keek naar Marjan.

Toen naar de oude man.

En eindelijk weer naar zijn zus.

“Er is iets gebeurd toen je acht was, Eva.”

“Wat?”

“Niet alleen in dit huis.”

Hij schoof de envelop met de datum van morgen naar haar toe.

“Hierin staat waarom mam de rest van haar leven tegen je heeft gelogen.”

Eva pakte hem.

Mark legde onmiddellijk zijn hand erop.

“Als je hem opent, kun je niet meer terug.”

Eva trok de envelop onder zijn hand vandaan.

En scheurde hem open.

ADVERTENTIE
ADVERTENTIE