Deel 2
Ingrid las de zin drie keer.
“Een zusje?”
Paul ging naast haar zitten. “Wat staat er?”
Ze gaf hem de brief.
Haar vader schreef dat haar moeder in 1972 zwanger was geraakt. Ingrid was toen drie. De zwangerschap verliep normaal, tot er tijdens de bevalling ernstige complicaties ontstonden.
Het meisje leefde slechts enkele uren.
Ze heette Anne.
Ingrid wist nergens van.
“Maar ik was vier,” zei ze. “Hoe kan ik me daar niets van herinneren?”
De rest van de brief gaf het antwoord. Haar ouders hadden Ingrid tijdelijk bij haar tante laten logeren. Toen ze thuiskwam, was de baby er niet en werd er nauwelijks over gesproken.
Dat was in die tijd volgens haar vader de manier waarop ze met verdriet omgingen.
Niet praten.
Doorgaan.
Haar moeder wilde later zelfs geen foto’s meer zien.
Maar haar vader had er één bewaard.
Onder de brieven lag een kleine zwart-witfoto.
Een baby in een dekentje.
Op de achterkant:
Anne, 14 maart 1972.
Ingrid keek er lang naar.
“Mijn zus.”
Paul sloeg een arm om haar heen.
“Waarom heeft mam dit nooit verteld?”
Niemand kon antwoorden.
In de kist zaten meer brieven. Niet alleen over Anne.
Haar vader had jarenlang geschreven.
Niet consequent. Soms drie brieven in één jaar, daarna vijf jaar niets.
Hij schreef over dingen die hij niet hardop kon zeggen.
Dat hij trots was toen Ingrid naar de middelbare school ging.
Dat hij haar eerste vriendje een “gladde aal” vond.
Dat hij huilde toen ze uit huis ging en tegen haar moeder beweerde dat hij last van zijn ogen had.
Ingrid lachte door haar tranen heen.
“Dat heeft hij echt gezegd.”
Ze opende de envelop voor haar trouwdag.
Paul lijkt me een goeie.
Ze keek naar haar man.
“Zie je wel,” zei Paul. “Je vader had verstand van mensen.”
“Wacht even.”
Ze las verder.
Hij praat te veel over auto’s, maar niemand is perfect.
Marieke begon te lachen.
“Oké,” zei Paul. “Die man hoeft niet meteen heilig verklaard te worden.”
Maar één vraag bleef.
Waarom had haar vader deze brieven verstopt?
Het antwoord zat in de laatste envelop.
Hij had kanker.
Veel eerder dan Ingrid had geweten.
Toen de diagnose kwam, dacht hij nog maar enkele maanden te hebben. Hij begon brieven te schrijven voor momenten die hij waarschijnlijk zou missen.
Maar de behandeling sloeg aan.
Hij leefde nog bijna negen jaar.
De kist verdween achter het schot.
En blijkbaar durfde hij hem daarna niet meer tevoorschijn te halen.
Misschien vind ik op een dag de moed om je dit allemaal zelf te vertellen.
En zo niet, dan hoop ik dat iemand ooit deze kist vindt.
Ingrid legde de brief neer.
“Vierentwintig jaar,” zei ze.
Paul pakte haar hand.
“Hij is gevonden.”
Die avond namen ze de kist mee naar huis.
Het huis zelf leverde een groter probleem op.
“Je hebt dus echt een huis gekocht,” zei Ingrid de volgende ochtend.
“Ja.”
“Zonder mij.”
“Technisch gezien heb ik een bod gedaan.”
“Paul.”
“Ja, ik heb een huis gekocht.”
“Met welk geld?”
“De overwaarde van het appartement van mijn moeder en een deel van onze spaarrekening.”
Ingrid staarde hem aan.
“Onze spaarrekening?”
“Niet alles.”
“Dat is niet het punt.”
Dat werd hun eerste echte ruzie in jaren.
Niet om Marieke.
Niet om de geheimzinnige woensdagavonden.
Om het feit dat Paul een enorme financiële beslissing had genomen zonder haar.
“Het was voor jou,” zei hij.
“Dat maakt het niet automatisch goed.”
“Ik wilde iets teruggeven.”
“Wat?”
“Je jeugd.”
Ingrid keek hem aan.
“Mijn jeugd is niet te koop.”
Paul zweeg.
En onmiddellijk zag ze dat die zin hem raakte.
Ze zuchtte.
“Waarom dacht je dat ik dit wilde?”
Paul liep naar de kast en pakte een oud fotoalbum.
Hij sloeg het open bij een foto van Ingrid en haar vader in de achtertuin van het huis.
“Je kijkt hier ieder jaar naar op zijn sterfdag.”
“Dus?”
“En ieder jaar zeg je hetzelfde.”
Ingrid wist het al.
Ik wou dat ik nog één keer door dat huis kon lopen.
Ze had het inderdaad vaak gezegd.
Maar dat was iets anders dan er eigenaar van worden.
“Je kunt geen herinnering kopen, Paul.”
“Nee.”
“En je kunt mijn vader niet terughalen.”
“Dat weet ik.”
“Wat wilde je dan?”
Paul keek naar de foto.
“Ik wilde je één dag geven.”
“Eén dag?”
“Het koopcontract heeft een ontbindende afspraak.”
Ingrid fronste.
“Wat?”
“Marieke wilde het huis eigenlijk verbouwen en daarna verkopen. Ik heb met haar afgesproken dat ik tot eind deze maand van de koop af kan zien.”
“Dus het is nog niet definitief?”
“Nee.”
“Waarom zei je dat niet meteen?”
“Omdat jij nogal boos was over Marieke.”
“Gek hè?”
Hij glimlachte voorzichtig.
Paul wilde het huis zo veel mogelijk terugbrengen naar hoe Ingrid het kende.
Niet perfect.
Alleen haar slaapkamer.
Een stuk van de woonkamer.
De oude keukentafel stond zelfs nog in de schuur; Mariekes ouders hadden hem destijds van Ingrids moeder overgenomen.
Daarna zou Ingrid één dag in haar ouderlijk huis hebben.
En vervolgens zouden ze beslissen of ze de koop doorzetten.
“Je wilde dus helemaal niet hier gaan wonen?”
“God nee. De badkamer is uit 1987.”
Ingrid begon te lachen.
Twee weken later was het zover.
Op zondagochtend reed Paul met haar naar het huis.
In de woonkamer stond de oude tafel.
Op tafel lag een geruit tafelkleed zoals haar moeder vroeger had.
Er stond koffie.
En een schaal met mergpijpjes.
“Die vond pap lekker,” zei Ingrid.
“Ik weet het.”
Ze liep door de kamers.
Niet alles klopte.
De keuken was anders.
De badkamer ook.
Maar sommige dingen waren er nog.
Een kras in de trapleuning.
De plek bij de achterdeur waar haar vader altijd zijn schoenen uitschopte.
De potloodstrepen boven.
Ingrid stond lang in haar slaapkamer.
Toen belde beneden de deur.
“Verwacht je iemand?”
Paul keek ineens verdacht onschuldig.
“Misschien.”
“Paul…”
“Ik heb deze verrassing wél gecontroleerd op onbekende vrouwen.”
Hij deed open.
Op de stoep stond Ingrids broer René.
Achter hem haar twee kinderen.
Sophie en Martijn.
En daarachter tante Ria, inmiddels zesentachtig.
Ingrid sloeg haar hand voor haar mond.
“Wat doen jullie hier?”
“Jouw man terroriseert de familie al weken met een draaiboek,” zei René.
Paul keek beledigd. “Organiseren heet dat.”
Tante Ria liep langzaam naar binnen.
Ze keek om zich heen.
Toen zag ze de foto op de kast.
De baby.
Anne.
Haar gezicht veranderde.
“Waar heb je die vandaan?”
Ingrid keek haar aan.
“Je wist het.”
Ria ging zitten.
“Ja.”
“Waarom heeft niemand mij ooit iets verteld?”
Haar tante keek naar de foto.
“Omdat je moeder het niet kon.”
“En jij?”
“Omdat zij me dat liet beloven.”
Weer een familiegeheim.
Maar dit keer voelde Ingrid geen woede.
Alleen verdriet om hoeveel moeite mensen vroeger deden om verdriet te verbergen.
Ria pakte haar hand.
“Je hebt haar trouwens wel gezien.”
“Anne?”
“Ja.”
“Dat kan niet.”
“Je vader heeft je even meegenomen naar het ziekenhuis.”
Ingrid voelde haar hart sneller slaan.
“Waarom weet ik dat niet meer?”
“Je was vier.”
Ria glimlachte verdrietig.
“Maar je hebt haar vastgehouden.”
Ingrid zei niets.
“Je moeder kon het niet aanzien. Je vader vond dat jij later tenminste moest kunnen zeggen dat je je zusje ontmoet had.”
“Maar ik kan het me niet herinneren.”
“Nee.”
Ria keek naar de foto.
“Er was nog een foto.”
“Welke foto?”
“Van jou met Anne.”
Ingrid ging rechter zitten.
“Waar?”
“Die had je vader.”
“Niet in de kist.”
Ria fronste.
“Dan weet ik niet waar hij gebleven is.”
Paul keek naar Ingrid.
Ingrid keek naar de oude muren om haar heen.
Er was die dag al een kist gevonden die vierentwintig jaar verborgen was geweest.
Maar ineens wist ze dat ze nog niet klaar waren met zoeken.