Deel 3
Ze begonnen op zolder.
Paul vond het aanvankelijk een slecht idee om op de dag die hij zo zorgvuldig had voorbereid kasten uit elkaar te trekken, maar binnen tien minuten stond hij zelf met een zaklamp achter een balk te kijken.
Niets.
René zocht in de schuur.
Sophie nam de oude keukenkastjes.
Tante Ria zat aan tafel en probeerde zich te herinneren wanneer ze de foto voor het laatst had gezien.
“Je vader had hem in zijn portemonnee,” zei ze uiteindelijk.
“Altijd?”
“Jarenlang.”
Ingrid keek naar René.
“Heb jij paps portemonnee na zijn dood gehad?”
“Nee. Mam volgens mij.”
Hun moeder was twaalf jaar geleden overleden. Haar spullen waren grotendeels verdeeld, maar Ingrid had thuis nog twee dozen die ze nooit goed had uitgezocht.
Ze reden er dezelfde avond heen.
In de tweede doos zat een klein bruin leren mapje.
Geen portemonnee.
Wel pasfoto’s.
Van Ingrid.
René.
Hun moeder.
En achter het plastic zat een opgevouwen papiertje.
Ingrid trok het eruit.
Een zwart-witfoto.
Een meisje van vier zat op een ziekenhuisstoel.
Op haar schoot lag een baby.
Ingrid herkende zichzelf nauwelijks.
Maar haar vader stond naast haar.
Zijn hand lag op haar schouder.
Op de achterkant stond:
Mijn twee meisjes.
Ingrid ging op de grond zitten.
Paul zei niets.
Dat was precies goed.
Een week later besloten ze het huis niet te kopen.
Marieke vond een andere koper.
“Geen spijt?” vroeg Paul toen ze voor de laatste keer de groene voordeur achter zich dichttrokken.
Ingrid keek naar het huis.
“Nee.”
“Echt niet?”
“Echt niet.”
“Mooi, want eerlijk gezegd zag ik mezelf die tuin ook niet onderhouden.”
Ze gaf hem een duw.
“Maar ik ben blij dat je het gedaan hebt.”
“Het huis kopen?”
“Nee. Dat was idioot.”
“Dank je.”
“Die dag.”
Paul pakte haar hand.
“Graag gedaan.”
De foto van Anne kreeg thuis een plek in het familiealbum.
Niet groot aan de muur.
Niet als iets zwaars dat voortdurend aandacht vroeg.
Gewoon tussen de andere foto’s.
Toen Sophie hem voor het eerst zag, bleef ze lang kijken.
“Dus ik had nog een tante?”
“Ja.”
“Die maar een paar uur heeft geleefd?”
“Ja.”
“Is iemand die zo kort leeft echt onderdeel van een familie?”
Ingrid dacht aan haar vader die meer dan vijftig jaar eerder Mijn twee meisjes op een foto had geschreven.
“Blijkbaar wel.”
De brieven las ze niet allemaal tegelijk.
Sommige bleven maanden dicht.
Op haar negenenvijftigste verjaardag opende ze de brief waarop stond:
Voor als je ouder wordt dan ik nu ben.
Haar vader was achtenvijftig geweest toen hij hem schreef.
Gefeliciteerd.
Als je dit leest, heb je me ingehaald.
Doe iets verstandigers met die extra tijd dan ik waarschijnlijk gedaan zou hebben.
Ingrid lachte.
Daaronder:
En bel je moeder.
Ze keek automatisch naar haar telefoon.
Toen herinnerde ze zich dat dat niet meer kon.
Dat deed nog steeds pijn.
Maar anders dan vroeger.
Ze pakte haar telefoon en belde René.
“Waarom bel je?”
“Pap zegt dat ik familie moet bellen.”
“Is hij terug?”
“Brief.”
“Ah.”
Ze praatten bijna een uur.
De woensdagavonden veranderden daarna ook.
Paul verdween niet meer.
In plaats daarvan begonnen ze iedere woensdag iets samen te doen.
Soms uit eten.
Soms wandelen.
Soms gewoon koffie halen en een stuk rijden.
“Waarom woensdag?” vroeg Ingrid een keer.
Paul keek haar aan.
“Die avond had ik toch al vrijgehouden.”
Een jaar later reden ze toevallig langs haar oude dorp.
“Zullen we kijken?” vroeg Paul.
“Waarnaar?”
“Het huis.”
De nieuwe bewoners hadden de groene voordeur vervangen door een zwarte.
Ingrid vond dat verrassend irritant.
“Groen was mooier.”
“Zal ik het kopen?”
“Probeer het en ik scheid van je.”
Ze reden lachend verder.
Thuis pakte Ingrid die avond de foto van haar en Anne nog eens uit het album.
Ze keek niet alleen naar de baby.
Ook naar zichzelf.
Vier jaar oud.
Serieus gezicht.
Twee kleine armen voorzichtig om een dekentje.
Ze kon zich het moment nog steeds niet herinneren.
Misschien zou dat nooit gebeuren.
Maar herinneringen bleken niet het enige bewijs dat iets gebeurd was.
Soms was er een foto.
Een brief.
Een potloodstreep op een muur.
Of iemand anders die het voor jou had onthouden totdat jij er klaar voor was.
Paul kwam naast haar zitten.
“Waar denk je aan?”
Ingrid wees naar de foto.
“Dat mijn vader gelijk had.”
“Waarover?”
“Dat ik haar ontmoet heb.”
“Je tante zei dat.”
“Ja. Maar nu geloof ik het.”
Paul keek naar de foto.
“Je hield haar goed vast.”
“Vind je?”
“Voor een kleuter wel.”
Ingrid glimlachte.
Ze stopte de foto terug.
Boven op de kast stond de houten kist van haar vader.
Er zaten nog elf ongeopende brieven in.
“Ga je er nog eentje lezen?” vroeg Paul.
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat ik ze niet allemaal tegelijk wil opgebruiken.”
Paul knikte alsof dat volkomen logisch was.
Misschien was het dat ook.
Eenendertig jaar lang had Ingrid gedacht dat ze haar man volledig kende. Daarna had hij zes woensdagen lang geheimzinnig gedaan, een onbekende vrouw omhelsd en zonder overleg haar ouderlijk huis gekocht.
Het had een rampzalig idee kunnen zijn.
Eigenlijk wás het een rampzalig idee.
Maar het had haar iets opgeleverd wat ze nooit had verwacht.
Niet haar oude huis.
Niet haar jeugd.
Zelfs niet haar vader.
Ze had iets teruggekregen waarvan ze niet eens wist dat ze het kwijt was.
Een zusje.
En elf brieven die nog op haar lagen te wachten.
De volgende woensdag bleef Paul gewoon thuis.
Om kwart voor zeven keek Ingrid naar hem.
“Moet jij niet weg?”
“Waarheen?”
“Je tweede gezin.”
“O ja. Marieke verwacht me.”
Ingrid gooide een kussen naar hem.
Paul ving het lachend op.
En voor het eerst in weken was woensdagavond weer gewoon woensdagavond.
Precies zoals Ingrid het graag had.