Ze vond een sleutel in de jas van haar overleden vader. Niemand wist waar hij op paste.

ADVERTENTIE

Zeker. Deel 2 begint direct achter de deur, zonder eerst samen te vatten wat de lezer net heeft gelezen. En we bewaren de echte onthulling over Thomas voor deel 3.

Deel 2

Het eerste wat Sanne zag, was een rode driewieler.

Ze bleef met haar hand aan de deur staan.

Van alle dingen die ze had verwacht — dozen, oude meubels, gereedschap, misschien administratie — had ze geen kinderspeelgoed verwacht.

De driewieler stond vlak achter de deur, alsof iemand hem daar gisteren had neergezet.

Het rode frame was op verschillende plekken beschadigd. Op het witte zadel zat een scheur die met zwarte tape was gerepareerd.

Sanne deed een stap naar binnen.

De ruimte was groter dan ze had gedacht.

Langs de muren stonden metalen stellingen. Daartussen waren dozen opgestapeld, sommige dichtgeplakt, andere open.

Een houten trein.

Een blauwe voetbal.

Kinderboeken.

Een kleine groene rugzak.

Sanne keek achterom naar de lege gang.

Toen weer naar de spullen.

“Wat is dit…”

Ze deed het licht aan.

Boven haar sprong een tl-buis flikkerend tot leven.

Op bijna iedere doos stond hetzelfde woord.

Thomas.

Sanne liep naar de dichtstbijzijnde doos.

THOMAS – SCHOOL

Op een andere:

THOMAS – KLEDING

En daarnaast:

THOMAS – TEKENINGEN

Ze voelde hoe haar keel droog werd.

Thomas.

Ze kende geen Thomas.

Niet van haar vaders werk.

Niet uit de familie.

Niet uit verhalen van vroeger.

Ze hurkte bij de doos met tekeningen en tilde het deksel op.

Bovenop lag een stapel papier, bij elkaar gehouden met een uitgedroogd elastiek.

De eerste tekening was gemaakt met dikke wasco.

Een huis.

Een gele zon.

Vier figuren.

Boven de grootste man stond:

papa

Boven de vrouw:

mama

Sanne staarde naar de twee kleine figuren.

Boven één stond:

ik

En boven het kleinste figuurtje stond een naam.

Sanne

Ze liet de tekening bijna uit haar handen vallen.

“Wat?”

Ze keek opnieuw.

Haar eigen naam.

Niet iemand die toevallig ook Sanne heette.

Op de hoek van het papier stond in het handschrift van haar vader:

Thomas, 6 jaar

Sanne ging op de betonnen vloer zitten.

Ze probeerde logisch na te denken.

Misschien was het een neefje.

Een kind van vrienden.

Iemand die vaak bij hen thuis kwam toen zij klein was.

Maar waarom had hij haar vader dan papa genoemd?

En haar moeder mama?

Ze pakte de volgende tekening.

Opnieuw vier mensen.

Daarna een vel waarop een jongen een baby in een kinderwagen had getekend.

Daarboven:

Mijn zusje Sanne

Ze voelde haar hart bonzen.

“Nee.”

Ze zei het hardop.

Alsof het woord iets kon veranderen.

Ze stond op en trok een andere doos naar voren.

FOTO’S

Het deksel zat niet vast.

Binnenin stonden drie fotoalbums.

Sanne pakte het bovenste.

De eerste pagina liet haar vader zien zoals ze hem bijna niet kende.

Jong.

Veel haar.

Een spijkerjack.

Hij zat op zijn knieën in een tuin en hield een jongetje van een jaar of twee omhoog.

Het jongetje lachte.

Sanne bladerde verder.

Hetzelfde kind op een fiets.

Met haar moeder op het strand.

Op de schouders van haar vader.

Voor een verjaardagstaart met vier kaarsjes.

Op de volgende pagina vijf.

Daarna zes.

Sanne keek naar haar moeder op de foto’s.

Het was onmiskenbaar haar moeder.

Jonger, maar dezelfde ogen. Dezelfde lach.

Ze voelde iets wat ze niet kon plaatsen.

Geen herinnering.

Meer een soort herkenning zonder beeld.

Ze sloeg een pagina om.

En daar lag ze zelf.

Als baby.

Haar moeder hield haar vast.

Haar vader stond ernaast.

En de jongen zat op de rand van het bed met één hand voorzichtig op de deken.

Op de achterkant stond:

Thomas ontmoet zijn kleine zusje.

Sanne liet zich weer op de grond zakken.

Ze had een broer.

De gedachte was zo absurd dat haar hoofd hem onmiddellijk probeerde af te wijzen.

Ze had geen broer.

Ze was enig kind.

Dat was ze altijd geweest.

Op school had ze het honderd keer ingevuld.

Broers: 0.

Zussen: 0.

Ze had ooit zelfs tegen haar vader gezegd dat ze het jammer vond dat ze geen broer of zus had.

Ze herinnerde zich zijn antwoord.

Je kunt ook ruzie maken zonder broer of zus hoor.

Hij had gelachen.

Zij ook.

Waarom had hij niets gezegd?

Waarom had haar moeder niets gezegd?

Sanne pakte haar telefoon.

Ze belde haar moeder.

Geen antwoord.

Nog een keer.

Weer niet.

Ze stuurde een bericht.

Wie is Thomas?

Ze keek naar het scherm.

Eén vinkje.

Twee.

Haar moeder had het ontvangen.

Sanne wachtte.

Niets.

Toen verschenen de drie bewegende puntjes.

Haar moeder typte.

Ze verdwenen weer.

Even later opnieuw.

En weer verdwenen ze.

Sanne voelde haar boosheid groeien.

Ze typte:

Ik ben in opslagbox 214. Ik heb de foto’s gezien.

Deze keer ging haar telefoon vrijwel onmiddellijk.

Haar moeder.

Sanne nam op.

“Wie is Thomas?”

Aan de andere kant bleef het stil.

“Mam.”

“Ga naar huis.”

“Wie is hij?”

“Niet daar.”

“Ik ga nergens heen voordat je me vertelt waarom er hier honderden spullen liggen van een jongen die jou mama noemt en papa papa.”

Ze hoorde haar moeder huilen.

Niet snikken.

Alleen een ademhaling die ineens brak.

“Mam?”

“Je had daar niet moeten komen.”

“Dat zei je gisteren ook al. Wie is Thomas?”

Het antwoord kwam zo zacht dat Sanne het bijna niet verstond.

“Je broer.”

Sanne sloot haar ogen.

Hoewel ze het inmiddels wist, voelde het anders om haar moeder het te horen zeggen.

“Ik heb een broer.”

“Had.”

Eén woord.

Sanne opende haar ogen.

“Wat bedoel je?”

“Thomas is overleden.”

“Wanneer?”

Geen antwoord.

“Mam, wanneer?”

“Lang geleden.”

“Hoe lang?”

Haar moeder begon harder te huilen.

Sanne keek naar het fotoalbum op haar schoot.

“Was ik al geboren?”

“Ja.”

“Hoe oud was ik?”

“Drie.”

Sanne voelde alsof de vloer onder haar verschoof.

Drie.

Oud genoeg om hem gekend te hebben.

Oud genoeg om samen met hem op foto’s te staan.

Misschien zelfs oud genoeg om hem te herinneren.

Maar er was niets.

Geen gezicht.

Geen stem.

Geen enkele herinnering aan een jongen die haar broer was geweest.

“Hoe kan ik dit niet weten?”

“Sanne…”

“Hoe kan ik een broer hebben gehad zonder dat ik dat weet?”

“Je was klein.”

“Maar jullie hadden het me kunnen vertellen.”

“We hebben geprobeerd verder te gaan.”

“Door te doen alsof hij nooit bestaan heeft?”

“Zo was het niet.”

“Hoe dan wel?”

Haar moeder zei niets.

Sanne keek om zich heen.

De dozen.

De speelgoedtrein.

De kleine jas die over de rand van een doos hing.

“Waarom stond alles hier?”

“Dat was je vader.”

“Wat bedoel je?”

“Ik kon het niet.”

“Wat niet?”

“Zijn spullen in huis hebben.”

Haar moeders stem brak opnieuw.

“Na wat er gebeurd was kon ik zijn kamer niet meer in. Ik kon zijn schoenen niet zien. Zijn beker. Zijn jas aan de kapstok. Iedere keer dacht ik dat hij zo binnen zou komen.”

Sanne zei niets meer.

“Ik wilde alles wegdoen,” vervolgde haar moeder. “Je vader niet.”

“Dus heeft hij het hier neergezet.”

“Ja.”

“En kwam hij hier?”

Een lange stilte.

“Ik denk het.”

“Je denkt het?”

“We spraken er niet over.”

Dat antwoord deed bijna meer pijn dan al het andere.

Sanne keek naar de rijen dozen.

Haar vader had jarenlang iedere maand betaald om deze ruimte te bewaren.

Alleen.

“Waarom hebben jullie het mij nooit verteld?”

“Dat kan ik niet over de telefoon uitleggen.”

“Probeer het.”

“Sanne, alsjeblieft. Kom naar huis.”

Ze keek naar het fotoalbum.

“Nee.”

“Sanne—”

“Ik bel je later.”

Ze hing op.


Ze bleef nog bijna een uur in de opslagruimte.

Nu ze wist wie Thomas was, veranderde alles wat ze aanraakte.

Zijn eerste voetbalschoenen.

Een rapport van groep drie.

Een plastic medaille van een sportdag.

Een verjaardagskaart van haar vader.

Voor onze grote vent. 7 jaar alweer!

Sanne streek met haar duim over zijn handschrift.

Ze voelde zich een indringer in haar eigen familie.

Achter in de ruimte stond een lage houten kast.

Anders dan de dozen zat die op slot.

Sanne probeerde het messing sleuteltje.

Het paste niet.

Ze keek rond en vond uiteindelijk een klein sleuteltje met een blauw koord aan een haak in de stelling.

Het slot sprong open.

In de kast lagen geen kinderspullen.

Alleen papieren.

Mappen.

En een stapel enveloppen.

Sanne trok de bovenste naar zich toe.

Op de voorkant stond:

Voor Sanne

Ze pakte de volgende.

Ook:

Voor Sanne

En de volgende.

Voor Sanne – als ze achttien is

Daaronder:

Voor Sanne – als ik het zelf niet kan vertellen

Sanne voelde kippenvel over haar armen trekken.

Ze legde de enveloppen naast elkaar.

Tientallen.

Sommige vergeeld.

Andere veel nieuwer.

Allemaal in het handschrift van haar vader.

Hij had haar geschreven.

Jarenlang.

Maar hij had haar geen enkele brief gegeven.

Ze pakte de oudste envelop.

De lijm liet bijna vanzelf los.

Binnenin zat één vel papier.

Bovenaan stond een datum.

Sanne rekende terug.

Ze was vier jaar oud geweest.

Ze begon te lezen.

Lieve Sanne,

vandaag vroeg je waar Thomas is.

Je moeder liep de kamer uit voordat ik antwoord kon geven.

Ik heb tegen je gezegd dat hij niet meer thuiskomt.

Ik weet niet of je begreep wat ik bedoelde.

Misschien is dat beter.

Maar er komt een dag waarop je zult vragen waarom je je broer niet meer kunt herinneren.

En als die dag komt, moet je ook weten wat er werkelijk is gebeurd.

Sanne stopte met lezen.

Ze staarde naar de laatste zin.

Wat er werkelijk is gebeurd.

Tot dat moment had ze gedacht dat Thomas’ dood het geheim was.

Maar haar vader had blijkbaar nog iets anders voor haar verborgen gehouden.

ADVERTENTIE
ADVERTENTIE