De eerste keer dacht Marloes dat ze het gedroomd had.
Ze werd wakker, keek op haar telefoon en zag 03.17.
Beneden klonk de deurbel.
Niet lang. Gewoon één keer.
Ding-dong.
Naast haar draaide Mark zich om.
“Hoorde jij dat?”
“Wat?”
“De bel.”
Mark kreunde. “Nee.”
Marloes bleef luisteren.
Niets.
Ze liep uiteindelijk toch naar beneden, keek door het raam naast de voordeur en zag een lege straat.
Geen auto.
Geen mensen.
Alleen het gele licht van de lantaarnpaal tegenover hun huis.
“Niemand,” zei ze toen ze weer boven kwam.
“Kinderen.”
“Om kwart over drie?”
“Vervelende kinderen.”
Hij draaide zich om en sliep binnen een minuut weer.
Marloes niet.
De volgende ochtend was ze het bijna vergeten.
Tot hun dochter Feline aan het ontbijt vroeg waarom mama ’s nachts naar beneden was gegaan.
“De bel ging.”
“Wie was er?”
“Niemand.”
Feline, dertien, keek geïnteresseerd op. “Heb je de camera bekeken?”
Marloes stopte met smeren.
Ze hadden sinds een paar maanden een videodeurbel.
“Nee.”
Feline pakte meteen haar telefoon.
“Ik kijk wel.”
“Volgens mij kan alleen papa erbij.”
“Niet meer.”
Mark keek op van zijn koffie. “Hoe kom jij in mijn account?”
“Je wachtwoord is Mark1979.”
“Dat is niet mijn wachtwoord.”
Feline draaide haar scherm om.
“Blijkbaar wel.”
Marloes lachte. “Sterke beveiliging.”
“Ik ga het veranderen.”
“Zet er een uitroepteken achter,” zei Feline.
Mark keek haar vernietigend aan.
Op de opname van 03.17 uur gebeurde niets.
De camera keek uit over hun voortuin, de stoep en een deel van de straat.
Om 03.16.58 brandde de buitenlamp.
Om 03.17.04 ging de deurbel.
Maar er stond niemand.
“Misschien storing,” zei Mark.
“Dan is het opgelost,” zei Marloes.
Dat dacht ze werkelijk.
Tot de volgende nacht.
03.17 uur.
Ding-dong.
Marloes zat meteen rechtop.
Mark nu ook.
“Oké.”
“Hoorde je hem nu wel?”
“Ja.”
Ze gingen samen naar beneden.
Niemand.
Op de camera:
niemand.
De derde nacht gebeurde het opnieuw.
03.17.
De vierde nacht ook.
De vijfde nacht trok Mark de stekker van de binnenbel eruit.
“Probleem opgelost.”
“De videodeurbel heeft een accu.”
“Maar we horen hem binnen niet.”
“Dat is niet hetzelfde als het oplossen.”
“Het is drie uur ’s nachts. Voor mij wel.”
De volgende ochtend stond er een melding in de app.
Bezoeker belde aan om 03.17.
Marloes liet haar telefoon aan Mark zien.
“Geweldig,” zei hij. “Dan is onze deurbel bezeten.”
Feline keek op van haar cornflakes.
“Mag ik dat op TikTok zetten?”
“Nee.”
“Jammer.”
Na een week begon Marloes het vervelend te vinden.
Niet eng.
Nog niet.
Vooral irritant.
Ze belde de fabrikant. Die liet haar de deurbel resetten.
De volgende nacht:
03.17.
Ze veranderden de wifi-instellingen.
03.17.
Mark haalde de deurbel uiteindelijk helemaal van de muur.
“Zo.”
Hij legde hem op het aanrecht.
“Nu kan niemand aanbellen.”
Die nacht sliep Marloes heerlijk.
Tot haar telefoon de volgende ochtend een melding liet zien.
Bezoeker belde aan om 03.17.
Ze keek naar de videodeurbel.
Die lag nog steeds op het aanrecht.
“Nee,” zei Mark.
“Dat staat er echt.”
“Dat kan technisch niet.”
“Blijkbaar wel.”
“Dan is het een softwarefout.”
Dat klonk logisch.
Marloes wilde het graag geloven.
Maar Feline wilde de beelden zien.
“Waarom?”
“Gewoon.”
“Er staat toch niets op.”
“Dat weet ik.”
Ze bekeek de opnames van alle zeven nachten achter elkaar.
Marloes stond achter haar.
Lege voortuin.
Lege stoep.
Lege straat.
Steeds hetzelfde.
Tot Feline de opname van de vierde nacht pauzeerde.
“Wacht.”
“Wat?”
“Daar.”
Ze zoomde in.
“Ik zie niets.”
“Niet bij de deur.”
Feline wees naar de rechterkant van het beeld.
“Daar bij de lantaarnpaal.”
Marloes keek.
Er stond niemand.
“Wat bedoel je?”
“De auto.”
Aan de overkant stond inderdaad een donkere auto geparkeerd.
“Wat is daarmee?”
Feline opende de opname van de vijfde nacht.
Dezelfde auto.
Zesde nacht.
Weer.
Zevende nacht.
Opnieuw.
Marloes voelde voor het eerst iets onaangenaams in haar buik.
“Die staat daar iedere nacht.”
Feline knikte.
“Overdag ook?”
Dat wisten ze niet.
Die avond lette Marloes erop.
Geen auto.
Om elf uur keek ze opnieuw.
Niets.
Om één uur:
niets.
Ze zette een wekker om 02.50 uur.
Toen ze naar buiten keek, stond hij er.
Een donkergrijze stationwagen.
Aan de overkant.
Lichten uit.
“Mark.”
Hij kwam naast haar staan.
“Zie je hem?”
“Ja.”
“Die stond er om één uur nog niet.”
Mark trok een trui aan.
“Wat ga je doen?”
“Kijken.”
“Niet naar buiten.”
“Waarom niet?”
“Omdat we niet weten wie erin zit.”
“Waarschijnlijk iemand die hier woont.”
“Dan kan diegene morgen uitleggen waarom hij iedere nacht tegenover ons huis parkeert.”
Mark bleef binnen.
Ze keken vanuit de donkere woonkamer.
03.10.
Niets.
03.15.
Nog steeds niets.
03.16.
Marloes hield haar telefoon vast.
Toen gebeurde het.
Om precies 03.17 uur lichtten de remlichten van de auto kort op.
Op hetzelfde moment verscheen op haar telefoon:
Bezoeker belde aan.
Marloes keek naar Mark.
“Dat is geen storing.”
Mark belde de politie.
Niet 112, maar het gewone nummer.
De medewerker noteerde het kenteken dat Mark vanuit het slaapkamerraam kon lezen.
De auto vertrok om 03.22.
De volgende ochtend kregen ze te horen dat het kenteken niet bij de auto hoorde.
“Gestolen?” vroeg Marloes.
“Dat weten ze niet.”
“Maar iemand gebruikt een verkeerd kenteken?”
“Daar lijkt het op.”
Dat maakte het ineens een stuk minder grappig.
Die nacht kwam de auto niet.
Ook de nacht daarna niet.
Marloes begon te denken dat de politiecontrole genoeg was geweest.
Op de derde nacht werd ze vanzelf wakker.
Ze keek op haar telefoon.
03.16.
Geen melding.
Ze liep naar het raam.
Geen auto.
03.17.
Niets.
Ze voelde zich belachelijk opgelucht.
Toen hoorde ze beneden iets.
Geen deurbel.
Een tik.
Daarna nog één.
Alsof iemand heel voorzichtig tegen het keukenraam tikte.
Marloes maakte Mark wakker.
“Beneden.”
Hij luisterde.
Tik.
Dit keer hoorde hij het ook.
Ze belden direct de politie.
Binnen tien minuten stond er een auto voor de deur.
Buiten werd niemand gevonden.
Geen schade.
Geen voetsporen.
Niets.
Maar toen één van de agenten langs de zijkant van het huis liep, riep hij Mark.
“Is dit van jullie?”
Onder het keukenraam lag een kleine witte envelop.
Op de voorkant stond:
Voor Marloes.
Ze mocht hem pas openen nadat de agenten hem hadden bekeken.
Binnenin zat geen brief.
Alleen een foto.
Marloes herkende hem meteen.
Het was haar ouderlijk huis.
Een rijtjeswoning in Apeldoorn waar ze tot haar achttiende had gewoond.
De foto was oud. Waarschijnlijk ergens uit de jaren negentig.
Achterop stond:
Vraag je vader wat er om 03.17 gebeurde.
Marloes voelde haar mond droog worden.
“Mijn vader is twaalf jaar geleden overleden.”
Mark keek naar de agent.
“Wie weet dat?”
Marloes dacht na.
Familie.
Vrienden.
Mensen die haar kenden.
Heel veel mensen.
Maar 03.17?
Dat getal zei haar helemaal niets.
Tot Feline de volgende ochtend de foto zag.
“Mam?”
“Ja?”
“Waarom staat opa daar?”
Marloes keek.
“Waar?”
Feline wees naar het raam op de eerste verdieping van het huis.
Marloes had alleen naar de tekst gekeken.
Nu zoomde ze met haar telefoon in op de foto.
Achter het slaapkamerraam stond inderdaad iemand.
Een man.
Haar vader.
En naast hem stond nog iemand.
Een vrouw.
Marloes kende haar niet.
Op de achterkant van de foto stond in een hoekje een datum.
17 augustus 1996.
Marloes was toen zestien.
Ze pakte haar telefoon en belde haar moeder.
“Mam, ik moet je iets vragen.”
“Wat is er?”
“Wat gebeurde er op 17 augustus 1996?”
Het bleef stil.
“Mam?”
“Waarom vraag je dat?”
“En wat heeft 03.17 ermee te maken?”
De stilte duurde nu veel langer.
Toen zei haar moeder:
“Wie heeft contact met je opgenomen?”
Marloes voelde haar hart sneller slaan.
“Dat betekent dus dat er iets gebeurd is.”
Haar moeder zuchtte.
“Kom hierheen.”
“Vertel het gewoon.”
“Niet door de telefoon.”
“Mam.”
“Marloes, kom alsjeblieft hierheen.”
“Waarom?”
Haar moeder antwoordde zacht:
“Omdat ik al dertig jaar hoopte dat niemand die foto ooit zou vinden.”