Deel 2
Haar moeder woonde nog steeds in hetzelfde huis.
De voordeur was inmiddels groen in plaats van bruin en de kozijnen waren vervangen, maar verder leek er verrassend weinig veranderd.
Marloes legde de foto op tafel.
Haar moeder, Ineke, werd bleek.
“Waar heb je die vandaan?”
“Onder mijn keukenraam.”
“Wie heeft hem gebracht?”
“Dat probeer ik juist uit te zoeken.”
Ineke pakte haar bril.
Haar hand trilde.
“Wie is die vrouw naast pap?”
“Ze heette Karin.”
“Heette?”
“Ze is dood.”
“Wie was ze?”
Ineke keek naar de foto.
“Je vaders zus.”
Marloes begon bijna te lachen.
“Pap had geen zus.”
“Dat dacht jij.”
Karin was drie jaar jonger geweest dan haar vader.
Marloes had nooit van haar gehoord.
Geen foto gezien.
Geen naam tijdens familieverhalen.
Niets.
“Waarom heb ik nooit geweten dat ik een tante had?”
“Omdat je vader dat niet wilde.”
“Waarom?”
Ineke keek naar haar handen.
“Karin was verslaafd.”
Aan drugs, voornamelijk.
Ze verdween soms maandenlang. Kwam terug. Beloofde dat het beter ging. Leende geld. Verdween opnieuw.
Toen Marloes klein was, had haar vader besloten dat zijn zus niet langer in de buurt van zijn gezin mocht komen.
“Maar op die foto staat ze binnen.”
“Ja.”
“Waarom?”
“Die nacht kwam ze onverwacht.”
17 augustus 1996.
Rond twee uur ’s nachts.
Karin stond huilend voor de deur. Ze zei dat ze hulp nodig had en dat iemand achter haar aan zat.
“Wie?”
“Dat zei ze niet.”
Haar vader liet haar binnen.
Ze praatten boven, omdat Marloes en haar jongere zus beneden niets mochten horen.
“Ik was zestien. Ik sliep daar.”
“Je was niet thuis.”
Marloes dacht na.
Toen herinnerde ze het zich.
Zomerkamp.
Ze was een week met vriendinnen op een camping.
“Wat gebeurde er om 03.17?”
Ineke keek naar de foto.
“Toen ging Karin weg.”
“Dat is alles?”
“Dat dachten wij.”
De volgende ochtend werd Karins tas gevonden bij een kanaal, ongeveer zes kilometer verderop.
Van Karin zelf geen spoor.
De politie zocht dagenlang.
Niets.
“Is ze nooit gevonden?”
Ineke schudde haar hoofd.
“Maar jij zei net dat ze dood was.”
“Ze is in 2009 officieel doodverklaard.”
“Zonder lichaam?”
“Ja.”
Marloes voelde zich duizelig.
Haar vader had een zus gehad.
Die was midden in de nacht uit haar ouderlijk huis vertrokken en daarna verdwenen.
En iemand belde nu iedere nacht om exact het tijdstip waarop dat gebeurd was bij Marloes aan.
“Wie maakte deze foto?”
Dat wist Ineke niet.
Dat was juist het vreemde.
De foto was destijds bij haar vader bezorgd.
Ook zonder afzender.
“Wanneer?”
“Een paar weken nadat Karin verdween.”
“En jullie hebben hem nooit aan de politie gegeven?”
Ineke keek weg.
“Mam.”
“Je vader wilde dat niet.”
“Waarom in vredesnaam niet?”
“Omdat hij bang was.”
“Waarvoor?”
Ineke keek haar dochter eindelijk aan.
“Voor wat er nog meer op de foto stond.”
Marloes pakte hem.
“Er staat niets anders op.”
“Jawel.”
Ineke wees naar de onderkant.
Bij de stoeprand stond een klein stukje van een auto.
Alleen een koplamp en een deel van de motorkap.
“Van wie?”
“Van de man voor wie Karin bang was.”
Hij heette Gerard van Leeuwen.
Geen dealer, zoals Marloes eerst dacht.
Hij was haar vriend.
Ouder dan Karin. Controlerend. Gewelddadig.
Karin had meerdere keren geprobeerd hem te verlaten.
“Die nacht zei ze dat ze eindelijk weg wilde.”
“Waarom is ze dan weer vertrokken?”
“Omdat Gerard belde.”
“Om 03.17?”
“Nee. Vlak daarvoor.”
“En pap liet haar gaan?”
Ineke’s ogen vulden zich met tranen.
“Dat heeft hij zichzelf zijn hele leven verweten.”
Karin had gezegd dat Gerard haar spullen had en dat ze die wilde ophalen. Haar broer probeerde haar tegen te houden.
Ze vertrok toch.
Daarna werd ze nooit meer gezien.
“Is Gerard nog in leven?”
Ineke keek verbaasd.
“Voor zover ik weet wel.”
“Waar woont hij?”
“Geen idee.”
Dat bleek niet moeilijk te vinden.
Feline vond hem binnen twintig minuten.
“Jullie generatie is doodeng,” zei Marloes.
“Dank je.”
Gerard was inmiddels 79 en woonde in een seniorencomplex in Arnhem.
Mark wilde dat ze de politie belden voordat ze iets deden.
Dat deden ze.
De politie nam de nieuwe gebeurtenissen inmiddels serieus, vooral vanwege het valse kenteken en de foto.
Gerard werd benaderd.
Hij ontkende dat hij iets met de nachtelijke bezoeken te maken had.
Maar hij zei nog iets.
Karin was volgens hem helemaal niet dood.
“Hoe bedoelt u?” vroeg Marloes toen ze hem enkele dagen later onder begeleiding van een rechercheur sprak.
Gerard was kleiner dan ze had verwacht. Broos bijna.
“Ze is weggegaan.”
“Waarheen?”
“Dat weet ik niet.”
“U was de laatste die haar zag.”
“Dat klopt niet.”
“Wie dan?”
Gerard keek haar aan.
“Je vader.”
“Mijn vader zag haar om 03.17 vertrekken.”
“Nee.”
Gerard schudde zijn hoofd.
“Om 03.17 kwam ze juist terug.”
Marloes voelde haar maag samentrekken.
“Terug waar?”
“Naar jullie huis.”
“Mijn moeder zegt dat ze toen vertrok.”
“Je moeder liegt.”
De rechercheur onderbrak hem.
“Waar baseert u dat op?”
“Omdat ik buiten stond.”
“Bij het huis?”
Gerard knikte.
Hij had Karin die nacht gevolgd. Niet om haar pijn te doen, beweerde hij, maar omdat hij wilde praten.
“Ik zag haar naar binnen gaan. Later kwam ze naar buiten. We kregen ruzie. Ze liep weg.”
“En toen?”
“Ik reed weg.”
“Maar u zegt dat ze terugging.”
“Ja. Ik zag haar in mijn spiegel teruglopen naar het huis.”
“Hoe laat?”
“Ongeveer kwart over drie.”
Marloes dacht aan de foto.
Aan haar vader en Karin achter het raam.
Misschien was die foto helemaal niet vóór haar vertrek gemaakt.
Misschien erna.
Ze reed rechtstreeks naar haar moeder.
“Is Karin die nacht teruggekomen?”
Ineke antwoordde niet.
“Mam.”
“Wie heeft dat gezegd?”
“Gerard.”
“Je praat met hem?”
“Is ze teruggekomen?”
Ineke begon te huilen.
Dat was antwoord genoeg.
“Wat is er gebeurd?”
“Je vader wilde jullie beschermen.”
“Waartegen?”
“Niet waartegen.”
Ineke keek haar aan.
“Waarvoor.”
Karin kwam inderdaad terug.
03.17 uur.
Ze was volledig overstuur.
Ze had bloed op haar blouse.
Niet haar eigen bloed.
“Van wie?”
“Gerard.”
Marloes verstijfde.
Karin vertelde dat ze hem met een stuk metaal had geslagen toen hij haar tegenhield.
Ze dacht dat ze hem had gedood.
Maar Gerard leefde.
“Dat wisten wij toen niet.”
Haar vader raakte in paniek.
Hij wilde zijn zus helpen verdwijnen voordat de politie kwam.
“Pap heeft haar geholpen vluchten?”
Ineke knikte.
“Waarheen?”
“Dat weet ik echt niet.”
“Hoe kun je dat niet weten?”
“Omdat je vader het me nooit verteld heeft.”
Er was één persoon die het wel wist.
Een oude vriend van haar vader.
Henk.
Marloes kende hem.
Hij was op de begrafenis geweest.
Hij stuurde nog ieder jaar een kerstkaart.
Henk was 81.
En toen Marloes hem belde en de naam Karin noemde, zei hij:
“Ik vroeg me al af wanneer iemand zou komen.”
Henk vertelde dat hij Karin die ochtend naar België had gereden.
Daar stapte ze op een trein naar Frankrijk.
Haar vader had haar geld gegeven en gezegd dat ze nooit meer contact mocht opnemen.
“Waarom zo extreem?”
“Omdat Gerard niet de enige was voor wie ze bang was.”
“Wie nog meer?”
Henk aarzelde.
“De mensen aan wie ze geld schuldig was.”
“En daarna?”
“Ik heb haar nooit meer gezien.”
“Mijn vader?”
Henk keek weg.
“Dat moet je aan je moeder vragen.”
“Mijn moeder zegt dat ze niets weet.”
“Dan liegt ze nog steeds.”
Die avond legde Marloes alles voor haar moeder neer.
“Geen halve verhalen meer.”
Ineke huilde.
Daarna liep ze naar boven.
Ze kwam terug met een klein adresboek.
Tussen de bladzijden zat een ansichtkaart.
Geen postzegel.
Geen afzender.
Op de voorkant stond de kust van Bretagne.
Achterop:
Ik ben veilig. Zeg tegen hem dat het goed is. K.
Datum:
Acht jaar na Karins verdwijning.
“Ze leefde dus.”
“Toen wel.”
“Waarom heb je dit nooit verteld?”
“Je vader vroeg het.”
“Waarom?”
“Omdat Karin een nieuw leven had. Een andere naam. Een gezin.”
Marloes staarde haar moeder aan.
“Een gezin?”
Ineke knikte.
“Ze kreeg een dochter.”