Iedere avond om precies 22.17 uur ging de buitenlamp van het leegstaande huis tegenover haar aan. Toen Sanne eindelijk ging kijken, ontdekte ze dat het huis helemaal niet leeg was.

De eerste keer dat Sanne het zag, dacht ze dat er een tijdschakelaar in het huis zat.

Het was half november en ze zat met een kop thee op de bank toen aan de overkant plotseling de buitenlamp aansprong. Het huis stond al minstens acht maanden leeg. De vorige bewoner, een oudere man die meneer Koster heette, was in het voorjaar overleden en sindsdien was er nauwelijks iemand geweest. Af en toe kwam een makelaar kijken, één keer had een schoonmaakbedrijf er een ochtend gewerkt, maar verder bleven de gordijnen dicht en groeide het onkruid tussen de tegels.

Sanne keek op de klok: 22.17 uur.

De volgende avond gebeurde het opnieuw. Ze merkte het alleen omdat ze toevallig op hetzelfde moment naar buiten keek. De lamp boven de voordeur sprong aan, bleef ongeveer vijf minuten branden en ging daarna weer uit.

“Timer,” zei haar vriend Mark toen ze het vertelde. “Waarschijnlijk ingesteld door die oude man en niemand heeft hem uitgezet.”

Dat klonk logisch. Tot Sanne de volgende avond bewust ging kijken.

22.16 uur: donker.

22.17 uur: licht.

22.22 uur: uit.

“Zie je wel,” zei Mark. “Timer.”

“Maar waarom precies vijf minuten?”

“Omdat timers dingen doen die je instelt.”

Sanne rolde met haar ogen en liet het los.

Althans, dat probeerde ze.

Een week later kwam ze om kwart over tien thuis. Terwijl ze haar fiets in de schuur zette, keek ze automatisch naar nummer 34. De buitenlamp was uit. Toen ze haar eigen voordeur bereikte, sprong hij aan.

Ze keek op haar telefoon.

22.17.

Maar deze keer zag ze iets anders.

Achter het raam op de bovenverdieping bewoog een gordijn.

Sanne bleef staan.

Het huis was donker. Geen lamp binnen, geen televisie, niets. Alleen de buitenlamp verlichtte de voordeur.

Toch wist ze bijna zeker dat ze beweging had gezien.

De volgende ochtend liep ze naar nummer 34. Door de brievenbus staken folders en reclameblaadjes. Op de deur zat nog steeds een sticker van de makelaar met VERKOCHT ONDER VOORBEHOUD.

Ze liep om het huis heen. Achter het raam zag ze alleen een lege woonkamer, een kale vloer en een paar verhuisdozen.

“Wat ben jij aan het doen?”

Sanne schrok. Haar buurvrouw Els stond achter haar met een boodschappentas.

“Niets. Ik vroeg me af of hier iemand woont.”

“Nee toch? Koster is dood.”

“Dat weet ik. Maar ik dacht gisteravond iemand boven te zien.”

Els keek naar het raam. “Misschien de nieuwe eigenaar.”

“Om kwart over tien?”

“Misschien werkt hij overdag.”

Dat was mogelijk.

“En die buitenlamp?”

“Welke buitenlamp?”

Sanne vertelde het.

Els begon te lachen. “Jij hebt te veel thrillers gekeken.”

Waarschijnlijk had ze gelijk.

Die avond ging Sanne expres niet kijken.

Om 22.18 uur hield ze het niet meer vol.

De lamp brandde.

Een paar dagen later zag ze voor het eerst iemand bij het huis. Een man van rond de veertig stond bij de voordeur met een map onder zijn arm. Sanne liep naar buiten.

“Sorry, bent u de nieuwe bewoner?”

Hij keek verbaasd. “Nee. Makelaar.”

“Is het huis al verkocht?”

“Bijna. Waarom?”

“Komt hier ‘s avonds iemand?”

“Niet dat ik weet.”

“Ook niet om iets te controleren?”

De makelaar schudde zijn hoofd. “Het huis staat leeg.”

Sanne wees naar de lamp. “Die gaat iedere avond om 22.17 uur aan.”

“Bewegingssensor.”

“Nee. Ook als er niemand loopt.”

Hij keek naar de lamp. “Dan zit er waarschijnlijk een storing in.”

“En boven?”

“Wat is er boven?”

“Ik dacht daar iemand te zien.”

De man keek haar nu aan alsof Els misschien gelijk had over die thrillers. “Er woont niemand, mevrouw.”

“Is er stroom?”

“Voor zover ik weet wel.”

Daarmee was voor hem het gesprek klaar.

Voor Sanne niet.

Die avond zette ze een stoel bij het raam.

“Dit begint ongezond te worden,” zei Mark.

“Ik wil één keer goed kijken.”

“Waarnaar?”

“Of er iemand is.”

“En als je iemand ziet?”

“Dan weten we dat.”

“Geweldig plan.”

Om 22.15 uur deed Sanne het licht in hun woonkamer uit. Nummer 34 lag volledig donker aan de overkant.

22.16.

Niets.

Toen sprong de buitenlamp aan.

Sanne keek naar boven.

Eerst gebeurde er niets.

Toen zag ze het.

Een schaduw bewoog langs het raam.

“Mark.”

Hij kwam naast haar staan.

“Daar.”

“Waar?”

“Boven.”

De schaduw verscheen opnieuw.

Nu zag Mark hem ook.

“Oké,” zei hij. “Dat is vreemd.”

Een paar seconden later verscheen achter het glas een gezicht.

Sanne deinsde achteruit.

“Zag je dat?”

“Ja.”

“Er is iemand binnen.”

Mark pakte zijn telefoon. “Dan bellen we de politie.”

Maar voordat hij kon bellen, ging de buitenlamp uit.

22.22.

Het gezicht verdween.

De volgende ochtend kwam de politie kijken. De makelaar opende de woning. Sanne stond aan de overkant te wachten terwijl twee agenten naar binnen gingen.

Na twintig minuten kwamen ze weer naar buiten.

Niemand.

Geen braakschade.

Geen teken dat iemand er sliep.

Boven waren drie lege kamers en een badkamer.

“Misschien zag u een weerspiegeling,” zei een van de agenten.

“Met een gezicht?”

“Licht kan vreemde dingen doen.”

Mark had het ook gezien, maar zelfs hij begon inmiddels te twijfelen.

Tot de agent iets zei wat Sanne niet kon plaatsen.

“Overigens is die lamp niet aangesloten op een timer.”

“Wat?”

“De makelaar vroeg het aan de elektricien. Het is gewoon een bewegingssensor.”

Sanne keek naar de lamp.

“Dus iemand moet ervoor staan?”

“Binnen het bereik, ja.”

“Maar iedere avond exact om 22.17 uur?”

De agent haalde zijn schouders op.

Die avond wachtten Sanne en Mark opnieuw.

22.17.

De lamp ging aan.

Dit keer stond er iemand onder.

Een jongen.

Hij droeg een donkere jas en een rugzak. Hij keek niet om zich heen, maar haalde een sleutel uit zijn zak, opende de voordeur en verdween naar binnen.

“Daar is je spook,” zei Mark.

Sanne pakte onmiddellijk haar telefoon.

“Wacht.”

“Waarom?”

“Hij heeft een sleutel.”

“Dus?”

“Een inbreker heeft meestal geen sleutel.”

Ze keken naar boven.

Een minuut later verscheen een zwak licht achter het gordijn.

Geen plafondlamp.

Meer alsof iemand met een zaklamp door de kamer liep.

Om 22.22 uur ging de buitenlamp uit.

De jongen kwam niet naar buiten.

Na tien minuten liep Sanne naar de overkant.

“Dit is een slecht idee,” zei Mark, terwijl hij uiteraard achter haar aan liep.

Bij nummer 34 was alles stil.

Sanne belde aan.

Geen reactie.

Nog een keer.

Niets.

Toen hoorden ze boven een doffe klap.

Mark wilde opnieuw de politie bellen, maar precies op dat moment ging de voordeur open.

De jongen stond voor hen.

Hij kon niet ouder zijn dan zeventien.

“Wat doen jullie hier?”

Sanne keek hem aan. “Dat wilde ik jou vragen.”

“Dit is mijn huis.”

“Nee. Dit huis staat leeg.”

Zijn gezicht veranderde.

“Wie zijn jullie?”

“Wij wonen tegenover je.”

De jongen keek langs hen heen naar Sannes huis.

Toen deed hij iets vreemds.

Hij begon te huilen.

Niet een beetje.

Alsof hij wekenlang geprobeerd had het tegen te houden.

Sanne wist niet wat ze moest doen. “Hé… gaat het?”

De jongen veegde kwaad over zijn gezicht.

“Jullie moeten weg.”

“Wie ben je?”

Hij wilde de deur sluiten.

Sanne zette geen voet ertussen, maar stelde snel één vraag.

“Waarom kom je iedere avond om 22.17 uur?”

De jongen stopte.

Langzaam keek hij haar aan.

“Hoe weet jij dat?”

“Omdat ik je lamp iedere avond zie.”

Hij keek omhoog naar de buitenlamp.

“Die lamp?”

“Ja.”

“Die hoort helemaal niet aan te gaan.”

Nu was Sanne degene die niets begreep.

“Je loopt er toch onderdoor?”

“Pas sinds vanavond.”

“Maar hij gaat al weken iedere avond aan.”

De jongen werd bleek.

“Hoe laat zei je?”

“22.17.”

Hij keek haar zo geschrokken aan dat Sanne een stap naar voren deed.

“Wat is er?”

De jongen keek naar de donkere gang achter zich.

Toen zei hij:

“Dat was het tijdstip waarop mijn moeder hier stierf.”