Haar oma liet een huis na aan iemand die niemand in de familie kende.

Nina had altijd gedacht dat het huis uiteindelijk verkocht zou worden.

Niet omdat haar oma dat ooit letterlijk had gezegd.

Maar wat moest er anders mee gebeuren?

Oma Riet was 86 geworden. Haar man was al twaalf jaar dood en haar enige dochter, Nina’s moeder, woonde aan de andere kant van het land.

Nina was degene die dichtbij woonde.

Zij deed de boodschappen als oma een slechte dag had.

Zij reed mee naar het ziekenhuis.

Zij verving de lamp in de gang die volgens oma “het gisteren nog prima deed”, ook al hing datzelfde peertje er waarschijnlijk sinds 2009.

En iedere zondag dronken ze koffie aan de kleine houten tafel bij het raam.

“Als ik er straks niet meer ben,” zei oma soms, “moeten jullie niet gaan vechten om mijn oude troep.”

“Welke troep?”

“Alles.”

“Ik wil de koektrommel.”

“Die is van mij.”

“Als je dood bent niet meer.”

Dan lachte oma.

“Brutaal kind.”

Nina was 42.

Maar voor oma Riet bleef ze een kind.

Het huis stond in een rustige straat aan de rand van de stad.

Een rijtjeshuis uit de jaren zestig.

Niets bijzonders.

Tenminste, vroeger niet.

Maar de wijk was populair geworden.

Huizen die ooit voor bedragen waren gekocht waar je tegenwoordig nauwelijks een nieuwe keuken voor kreeg, gingen inmiddels voor vier ton of meer van de hand.

Nina had er nooit echt bij stilgestaan.

Tot haar broer Jeroen het na de begrafenis ter sprake bracht.

“Heb jij enig idee wat dat huis waard is?”

Ze stonden in oma’s keuken.

Dezelfde keuken waarin Nina honderden koppen koffie had gedronken.

“Geen idee.”

“Minstens vier ton.”

“Serieus?”

“Het huis drie deuren verder is vorig jaar voor 419 verkocht.”

Hun moeder zat aan tafel.

“Kunnen we het hier alsjeblieft nog even niet over hebben?”

Jeroen stak zijn handen op.

“Ik zeg alleen wat het waard is.”

“We hebben haar vorige week begraven.”

“Ik weet het, mam.”

Nina zette drie mokken neer.

“Er moet sowieso eerst van alles geregeld worden.”

Haar moeder knikte.

“De notaris belt nog.”

Niemand wist precies wat er in oma’s testament stond.

Waarschijnlijk niets spannends.

Riet had één dochter.

Haar man was overleden.

Dus iedereen ging ervan uit dat haar moeder het grootste deel zou erven.

Misschien had oma iets apart gezet voor Nina en Jeroen.

Maar niemand verwachtte verrassingen.

Zeker niet wat het huis betrof.

Tot de notaris belde.

“Mevrouw De Wit?”

“Ja.”

“U staat genoemd in het testament van mevrouw Hendrika van Leeuwen.”

Nina keek naar haar laptop.

Ze zat op haar werk.

“Mijn oma.”

“Dat klopt. De bespreking van het testament is aanstaande donderdag. Uw moeder en broer zijn eveneens uitgenodigd.”

“Oké.”

“Zou tien uur voor u uitkomen?”

“Ja hoor.”

Ze noteerde het adres.

Toen de verbinding was verbroken, stuurde ze haar broer een bericht.

Donderdag 10 uur notaris. Jij ook?

Binnen een minuut antwoordde hij.

Ja. Spannend 😂

Nina stuurde terug:

Je krijgt de koektrommel niet.

Dan vecht ik het testament aan.

Ze glimlachte.

Vier dagen later was niemand meer aan het lachen.

De notaris heette meneer Van Loon.

Grijs pak.

Dunne bril.

Een kantoor waarin zelfs de planten eruitzagen alsof ze een geheimhoudingsverklaring hadden getekend.

Nina zat naast haar moeder.

Jeroen zat tegenover hen.

“Allereerst gecondoleerd met uw verlies,” begon de notaris.

“Dank u,” zei haar moeder.

Daarna volgde een uitleg over bankrekeningen, persoonlijke bezittingen en enkele legaten.

Oma had iets nagelaten aan de kerk.

Een bedrag aan de dierenambulance.

Haar sieraden gingen naar Nina’s moeder.

Nina en Jeroen kregen ieder €10.000.

“Zie je wel,” fluisterde Nina. “Geen koektrommel.”

Jeroen grijnsde.

De rest van het vermogen ging naar hun moeder.

Precies zoals ze hadden verwacht.

Toen sloeg de notaris een pagina om.

“Dan resteert de woning aan de Wilgenlaan.”

Jeroen ging iets rechter zitten.

Hun moeder zuchtte zacht.

“De woning is vrij van hypotheek,” vervolgde de notaris.

“Uw moeder heeft deze woning afzonderlijk opgenomen in haar testament.”

Nina keek naar haar moeder.

Die fronste.

“Afzonderlijk?”

“Ja.”

De notaris keek naar zijn papieren.

“De woning wordt niet onderdeel van de verdeling waarover ik zojuist sprak.”

“Wat betekent dat?” vroeg Jeroen.

“Uw moeder heeft de woning rechtstreeks nagelaten aan een andere erfgenaam.”

Hun moeder keek verbaasd.

“Aan wie?”

De notaris las de naam voor.

“Daniël Vermeer.”

Stilte.

Nina keek naar haar broer.

Jeroen keek naar hun moeder.

Hun moeder keek naar de notaris.

“Wie?”

“Daniël Vermeer.”

“Die naam zegt mij niets.”

De notaris knikte.

“Ik begrijp dat.”

“Nee,” zei haar moeder. “Ik bedoel: ik ken helemaal geen Daniël Vermeer.”

“Ik ook niet,” zei Nina.

Jeroen schudde zijn hoofd.

“Nog nooit van gehoord.”

De notaris zei niets.

“Is dit een stichting?” vroeg hun moeder.

“Nee.”

“Een buurman?”

“Voor zover ik weet niet.”

“Hoe oud is die man?”

De notaris aarzelde even.

“Dat kan ik niet zomaar—”

“Mijn moeder laat haar huis aan hem na. Ik wil graag weten wie hij is.”

“Mevrouw, ik begrijp dat dit onverwacht komt.”

“Onverwacht?”

Haar moeder lachte ongelovig.

“Mijn moeder laat een huis van vier ton na aan iemand die haar eigen dochter niet kent.”

De notaris vouwde zijn handen.

“Het testament is rechtsgeldig opgesteld.”

“Wanneer?”

Nina keek op.

“Wanneer heeft oma dit veranderd?”

De notaris keek naar het document.

“Ruim twee jaar geleden.”

Nina voelde iets in haar buik.

“Twee jaar?”

“Ja.”

“Toen woonde ze nog gewoon thuis.”

“Dat klopt.”

“Was u erbij?”

“Ik heb het testament zelf met uw grootmoeder besproken.”

“Was ze helder?”

“Nina,” zei haar moeder.

“Ik vraag het alleen.”

De notaris keek haar aan.

“Uw grootmoeder was volledig in staat haar wensen kenbaar te maken.”

Dat antwoord maakte het alleen maar vreemder.

Buiten bleef Jeroen op de stoep staan.

“Vierhonderdduizend euro.”

“Jeroen.”

“Wat?”

“Het gaat niet alleen om het geld.”

“Nee, het gaat om een huis van vierhonderdduizend euro dat oma aan een volslagen vreemde geeft.”

Hun moeder zei niets.

Ze zag bleek.

Nina pakte haar arm.

“Mam?”

“Ik begrijp het niet.”

“Misschien kennen we hem gewoon niet.”

“Dat is precies wat ik bedoel.”

Haar moeder keek haar aan.

“Ik wist alles van haar.”

Nina betwijfelde dat.

Niet omdat haar moeder en oma geen goede band hadden.

Maar omdat Nina de afgelopen jaren had gemerkt dat oma meer voor zichzelf hield dan vroeger.

Soms belde Nina op zondag om te vragen of ze langs kon komen en zei oma:

“Vandaag liever niet. Ik heb bezoek.”

“Wie?”

“Gewoon iemand.”

Nina had daar nooit iets achter gezocht.

Tot nu.

Diezelfde avond typte ze de naam in op Facebook.

Daniël Vermeer.

Dat hielp niet.

Er waren er tientallen.

Ze probeerde LinkedIn.

Instagram.

Google.

Jeroen belde.

“Al iets gevonden?”

“Hoe weet je dat ik zoek?”

“Omdat ik hetzelfde doe.”

“Er zijn ongeveer vier miljoen Daniël Vermeers.”

“Ik heb misschien de goede.”

Nina ging rechtop zitten.

“Hoe?”

“Ik heb het adres.”

“Wat?”

“Van het testament?”

“Nee. Mam heeft de naam van de executeur gekregen. Ik heb gebeld en gezegd dat we contact willen opnemen.”

“En die gaf gewoon zijn adres?”

“Niet precies. Maar genoeg om verder te zoeken.”

“Jeroen…”

“Wil je weten wie het is of niet?”

Nina zweeg.

“Stuur maar.”

Een minuut later kreeg ze een profiel doorgestuurd.

Daniël Vermeer, 29 jaar.

Nina keek naar de foto.

Een jonge man.

Donker haar.

Bril.

Hij werkte als technisch tekenaar.

Geen advocaat.

Geen zorgverlener.

Geen oude familievriend.

Hij was nog niet eens geboren toen oma en opa al jaren in dat huis woonden.

“Dat kan hem toch niet zijn?”

“Volgens mij wel.”

“Waarom zou oma haar huis aan een man van 29 geven?”

“Precies.”

Twee dagen later gingen Nina en haar moeder naar oma’s huis.

Jeroen moest werken.

Ze waren begonnen met het uitzoeken van kleding.

Haar moeder stond boven.

Nina nam de kast in de woonkamer.

Mappen.

Garantiebewijzen.

Rekeningen.

Verjaardagskaarten die oma blijkbaar niet kon weggooien.

Toen vond ze een foto.

Hij lag tussen twee boeken.

Nina trok hem eruit.

Oma zat aan de keukentafel.

De foto was duidelijk recent.

Misschien een jaar oud.

Naast haar zat een jonge man.

Donker haar.

Bril.

Nina voelde haar hart sneller slaan.

Daniël.

Ze draaide de foto om.

Op de achterkant stond in oma’s handschrift:

Daniël – 12 mei

“Mam?”

Geen antwoord.

“Mam!”

Haar moeder kwam de trap af.

“Wat is er?”

Nina hield de foto omhoog.

Haar moeder pakte hem aan.

“Wie is dat?”

“Volgens mij Daniël.”

Ze staarde naar de foto.

“Hier?”

“Blijkbaar.”

“In dit huis?”

“Dit is oma’s keuken.”

Haar moeder ging zitten.

“Ze kende hem dus.”

“Ja.”

“Waarom heeft ze nooit iets gezegd?”

Nina wist het niet.

Maar ineens herinnerde ze zich iets.

De buurvrouw.

Mevrouw Smit woonde al bijna dertig jaar naast oma.

Ze deed open in haar pantoffels.

“Nina! Hoe gaat het met jullie?”

“Goed. Nou ja…”

“Natuurlijk. Domme vraag. Kom binnen.”

“Ik wil eigenlijk iets vragen.”

Nina liet de foto zien.

“Kent u deze man?”

Mevrouw Smit zette haar bril op.

“O, die jongen.”

Nina voelde haar maag samentrekken.

“U kent hem?”

“Niet persoonlijk.”

“Kwam hij hier vaker?”

“Ja hoor.”

“Hoe vaak?”

De buurvrouw dacht na.

“De laatste twee jaar? Eens in de paar weken misschien.”

Nina keek naar haar moeder.

“En u heeft nooit gevraagd wie hij was?”

“Riet zei dat het een kennis was.”

“Een kennis van 29?”

Mevrouw Smit haalde haar schouders op.

“Ik controleerde haar paspoort niet.”

“Kwam hij alleen?”

“Meestal wel.”

“Bleef hij lang?”

“Soms een uurtje. Soms langer.”

Haar moeder pakte de foto terug.

“Waarom wist ik hier niets van?”

Mevrouw Smit keek haar verbaasd aan.

“Ik dacht dat jullie het wisten.”

In de auto zei Nina’s moeder bijna niets.

“Misschien heeft hij haar geholpen met iets.”

“Waarmee?”

“Computer. Administratie. Geen idee.”

“En daarvoor krijg je een huis?”

Nina startte de auto niet.

“Mam, oma was twee jaar geleden 84.”

“Ze was niet dement.”

“Dat zeg ik niet.”

“Het klinkt wel zo.”

“Ik zeg alleen dat een man van 27 ineens regelmatig bij een vrouw van 84 over de vloer kwam en twee jaar later blijkt dat hij haar huis erft.”

Haar moeder keek uit het raam.

“Ik wil weten wie hij is.”

Nina ook.

Ze stuurde Daniël die avond een bericht.

Geen reactie.

De volgende ochtend nog een.

Niets.

Jeroen vond uiteindelijk een telefoonnummer.

Nina belde.

Voicemail.

Ze sprak niets in.

Toen besloot ze iets te doen waarvan ze zelf wist dat het waarschijnlijk geen goed idee was.

Ze reed naar zijn huis.

Daniël woonde in een appartement boven een bakkerij.

Nina stond bijna vijf minuten voor de deur voordat ze aanbelde.

Geen antwoord.

Nog een keer.

Ze wilde net vertrekken toen de deur openging.

De man van de foto stond voor haar.

“Ja?”

“Nina de Wit.”

Geen reactie.

“Mijn oma was Riet van Leeuwen.”

Zijn gezicht veranderde onmiddellijk.

“O.”

Dat ene woord was genoeg.

“Je kent haar.”

“Ja.”

“Je hebt haar huis geërfd.”

Hij keek even de straat in.

“Ik weet het.”

“Wij sinds deze week ook.”

“Nina…”

“Hoe weet jij mijn naam?”

Hij zweeg.

Dat maakte haar nog bozer.

“Mijn oma heeft over mij verteld?”

“Ja.”

“Grappig. Over jou heeft ze nooit iets verteld.”

“Dat weet ik.”

“Waarom?”

Daniël zuchtte.

“Misschien moet je binnenkomen.”

“Ik blijf hier.”

“Prima.”

“Ik wil één ding weten.”

Hij wachtte.

“Waarom heeft mijn oma jou haar huis gegeven?”

Daniël keek haar lang aan.

“Dat is ingewikkeld.”

“Probeer het.”

“Je gaat het niet leuk vinden.”

“Dat bepaal ik zelf wel.”

Hij keek naar de grond.

Toen weer naar haar.

“Je oma heeft me gevraagd hier met niemand over te praten zolang ze leefde.”

“Ze leeft niet meer.”

“Dat weet ik.”

“Dan kun je nu praten.”

Daniël zweeg.

Nina voelde haar geduld verdwijnen.

“Heb jij haar gevraagd haar testament te veranderen?”

“Nee.”

“Heb jij haar geld aangenomen?”

“Nee.”

“Waarom kwam je dan iedere paar weken bij haar?”

“Omdat ze mij gevonden had.”

“Wat betekent dat?”

“Precies wat ik zeg.”

“Mijn oma kende jou niet.”

“Niet in het begin.”

“En toen zocht ze je ineens op?”

“Ja.”

“Waarom?”

Daniël liep naar binnen.

Even dacht Nina dat hij het gesprek gewoon beëindigde.

Maar hij kwam terug met een oude foto.

Zwart-wit.

Twee jonge vrouwen stonden voor een huis.

Nina herkende het onmiddellijk.

Oma’s huis.

Alleen zag de straat er totaal anders uit.

Geen auto’s.

Kleine boompjes.

Een bijna lege stoep.

Eén van de vrouwen was haar oma.

Misschien begin twintig.

Naast haar stond een vrouw die Nina nog nooit had gezien.

Ze hielden allebei een sleutel omhoog.

Nina draaide de foto om.

Er stond niets op.

“Wie is dat?”

“Mijn oma.”

Nina keek op.

“Jouw oma?”

“Elise Vermeer.”

“Ik heb die naam nog nooit gehoord.”

“Dat verbaast me niet.”

“Wat heeft zij met mijn oma’s huis te maken?”

Daniël nam de foto terug.

“Alles.”

“Wat bedoel je?”

Hij aarzelde.

Toen zei hij:

“Riet en mijn oma hebben dat huis samen gekocht.”

Nina staarde hem aan.

“Dat kan niet.”

“Toch is het zo.”

“Mijn opa en oma hebben dat huis gekocht.”

“Je opa kwam later.”

“Wat?”

Daniël keek naar de oude foto in zijn hand.

“Je oma heeft mij het huis niet gegeven omdat ze mij aardig vond.”

Nina voelde een koude rilling over haar rug.

“Waarom dan wel?”

Daniël keek haar recht aan.

“Omdat het eigenlijk nooit alleen van haar had mogen zijn.”