Mijn collega stuurde me iedere vrijdag precies hetzelfde bericht. Na zeven maanden ontdekte ik dat hij het helemaal niet zelf verstuurde.

ADVERTENTIE

Deel 2

Marloes sliep nauwelijks. Zaterdagochtend zat ze met Daan aan haar keukentafel, de oude harde schijf tussen hen in. Ze hadden inmiddels tientallen bestanden bekeken en steeds hetzelfde patroon gevonden: bedragen die net hoog genoeg waren om interessant te zijn, maar laag genoeg om niet direct op te vallen.

“Dit bewijst nog steeds niet dat Erik geld heeft gestolen,” zei Marloes.

“Nee. Maar het bewijst wel dat Joris niet gek was.”

Daan vertelde iets wat hij eerder had weggelaten. Een week voor het ongeluk had Joris hem een USB-stick gegeven. “Voor als er iets gebeurt,” had hij gezegd.

“Waar is die?”

“Verdwenen.”

“Wanneer?”

“Na het ongeluk. Ik had hem thuis in een lade gelegd. Twee dagen later was hij weg.”

“Wie kon je huis in?”

Daan keek haar aan. “Mijn vrouw. Mijn ouders. En Erik.”

“Waarom Erik?”

“Hij kwam die avond langs.”

Marloes voelde haar maag samentrekken. “Na de dood van je broer?”

“Om me te steunen.”

“En daarna was de USB-stick weg?”

“Ja.”

Daan had dat jarenlang als toeval proberen te zien.

Nu lukte dat niet meer.


De vraag bleef wie de vrijdagberichten verstuurde.

De berichten kwamen technisch gezien van Daans nummer, maar stonden niet op zijn telefoon. Iemand wist van Joris’ laatste bericht, kende het tijdstip 16.47 en wist nu zelfs van factuur 1847.

“Misschien Joris zelf,” zei Selma maandagochtend toen Marloes haar uiteindelijk alles vertelde.

Marloes keek haar aan. “Serieus?”

“Ik probeer alleen alle opties open te houden.”

“Mijn voorkeur gaat voorlopig uit naar iemand die nog leeft.”

“Saai.”

Toch bracht Selma hen op een idee. Misschien moesten ze niet vragen hoe de berichten werden verstuurd, maar wie alle informatie kende.

De lijst was kort.

Daan.

Erik.

Joris.

En mogelijk iemand die Joris vóór zijn dood in vertrouwen had genomen.

“Had hij een vriendin?” vroeg Marloes.

Daan keek op.

“Ja.”

“Waar is zij?”

“Geen idee. Ze zijn kort voor zijn dood uit elkaar gegaan.”

“Hoe heette ze?”

“Lieke.”


Het kostte Marloes één avond om haar te vinden.

Lieke woonde inmiddels in Groningen en werkte als fysiotherapeut. Toen Marloes haar belde en de naam Joris noemde, wilde ze onmiddellijk ophangen.

Tot Marloes zei:

“Factuur 1847.”

Aan de andere kant bleef het stil.

Toen zei Lieke: “Wie ben jij?”

De volgende dag zaten ze tegenover elkaar in een café.

Lieke was inmiddels 39. Ze luisterde naar het verhaal over de berichten zonder één keer verbaasd te kijken.

“Jij weet ervan,” zei Marloes.

“Ja.”

“Stuur jij ze?”

“Nee.”

“Wie dan?”

Lieke roerde in haar koffie. “Joris.”

Marloes zuchtte. “Joris is dood.”

“Dat weet ik.”

“Dan kan hij moeilijk iedere vrijdag—”

“Niet iedere vrijdag. Hij heeft het vóór zijn dood ingesteld.”


Joris had ontdekt dat Erik geld wegsluisde via meerdere leveranciers. Omdat hij bang was dat bestanden zouden verdwijnen, had hij een eenvoudige automatische routine gebouwd die informatie naar Daan moest sturen als hij die niet regelmatig uitschakelde.

Een soort digitale noodknop.

“Waarom kreeg Daan die berichten dan niet?”

“Omdat het systeem jaren geleden stopte.”

“En waarom begon het bij mij?”

Lieke keek haar aan. “Omdat iemand het opnieuw heeft aangezet.”

“Wie?”

“Dat weet ik niet.”

“Kan Erik dat?”

“Als hij wist waar het stond.”

“Waar stond het?”

Lieke aarzelde.

“Op een oude server van jullie bedrijf.”

Marloes voelde haar hart sneller kloppen.

“Die server bestaat nog?”

“Blijkbaar.”


ICT ontdekte uiteindelijk iets wat ze eerder gemist hadden. Er draaide inderdaad nog een oude geautomatiseerde service, verstopt in een omgeving die nauwelijks meer gebruikt werd.

Maar het systeem deed méér dan vrijdagberichten sturen.

Het controleerde bestanden.

Specifieke bestandsnamen.

Specifieke leveranciers.

En zodra één daarvan opnieuw in het netwerk verscheen, werd een volgende stap geactiveerd.

“Mijn oude dossier,” zei Marloes.

Daan knikte. “Toen jij dat bestand opende.”

Daarom waren de berichten veranderd.

Maar één vraag werd daarmee alleen maar groter.

Wie had ervoor gezorgd dat het systeem Marloes als ontvanger koos?

Het antwoord vonden ze in een logbestand.

De wijziging was zeven maanden geleden gedaan.

Vanaf een intern account.

Marloes las de gebruikersnaam twee keer.

E.DEVRIES

Erik.


“Dat slaat nergens op,” zei Daan. “Waarom zou Erik jou berichten sturen die hem verraden?”

Marloes dacht hetzelfde.

Tot ze naar de datum keek waarop de wijziging was gedaan.

Die dag was Erik niet op kantoor geweest.

Hij lag in het ziekenhuis na een blindedarmoperatie.

Iemand had zijn account gebruikt.

“Wie heeft toegang tot directieaccounts?” vroeg Marloes.

Selma keek richting de gang.

“IT.”

Maar de ICT-medewerker die hen eerder had geholpen, werkte pas drie jaar bij het bedrijf.

Joris was vier jaar dood.

Toen kwam Daan met een naam.

“Patrick.”

“Wie?”

“Onze oude systeembeheerder. Hij werkte hier in Joris’ tijd.”

“Waar is hij nu?”

Daan keek haar aan.

“Ontslagen. Door Erik.”


Patrick wilde eerst niets vertellen.

Toen Marloes hem factuur 1847 stuurde, belde hij binnen vijf minuten terug.

“Stop hiermee.”

“Waarom?”

“Omdat Joris hetzelfde deed.”

“En?”

“En Joris is dood.”

Marloes voelde haar huid koud worden.

“Zegt u dat zijn ongeluk geen ongeluk was?”

“Nee.”

“Wat zegt u dan?”

Patrick zweeg.

“Wat weet u?”

“Dat Joris mij twee dagen voor zijn dood vroeg een systeem voor hem te bouwen.”

“De vrijdagberichten.”

“Onder andere.”

“Waarom?”

“Als hem iets overkwam, moest de informatie uiteindelijk bij iemand terechtkomen die Erik niet zou verwachten.”

“Bij mij?”

“Nee.”

Patrick haalde hoorbaar adem.

“Bij degene die ooit factuur 1847 opnieuw zou openen.”

Marloes werd stil.

Dat was zij geweest.

Niet omdat Joris haar kende.

Niet omdat Erik haar speciaal had uitgekozen.

Ze was simpelweg de eerste persoon die jaren later precies het juiste bestand opende.

“Maar waarom begon ik de berichten al zeven maanden daarvoor te krijgen?”

Patrick antwoordde niet meteen.

“Omdat iemand wist dat jij uiteindelijk bij dat dossier zou uitkomen.”

“Wie?”

“Dat probeer ik zelf ook uit te zoeken.”

Toen verbrak hij de verbinding.

ADVERTENTIE
ADVERTENTIE